De Maatschappij der Nederlandse letterkunde wuift MeToo weg (via Jaap Goedegebuure)

<zondagochtend> Lekker smakelijk van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde! Dit ‘eerbiedwaardige’ instituut (core business: de letterkunde van alle eeuwen onder een laagje stof bedekken) publiceert een blogbericht van Jaap Goedegebuure, waarin deze min of meer toegeeft met metoo-doeleinden te zijn misbruikt door Prof. Dr. Gomperts – de favoriete boksbal, ooit, van W.F. Hermans. Zo’n column, in deze tijd…

De Leidse hoogleraar Gomperts stuurde een jonge (en voor de liefhebber van de soort blijkbaar een buitenkansje vormende) Goedegebuure in het midden van de jaren zeventig naar Johan Polak, omdat Jaap ‘misschien in de smaak zou vallen’ bij diezelfde Polak, van wie Gomperts iets gedaan wilde krijgen.

Machtsmisbruik in de academie! Goedegebuure doet er luchtig over, maar hij noemt in zijn column ook nog even Jan Siebelink – en we hebben in de biografie van Johan Polak allemaal gelezen wat deze Siebelink voor Johan Polak moest doen om zijn lening afbetaald te krijgen. Knielen voor een hypotheek.

De zin ‘Vergeleken bij mij was Jan Siebelink een kind in de zonde’ krijgt daarmee iets bitters. Goedegebuure, inmiddels een oude man, wuift het misbruik van Gomperts weg – hij heeft het Stockholmsyndroom, en niet omdat hij in die plaats de Nobelprijs voor de literatuur in ontvangst hoopt te nemen.

En de Maatschappij der Nederlandse en zo voort? Die zal over een eeuw of drie een blogbericht publiceren waarin de letterkunde in deze tijd (de onze, dus) in een meedogenloos licht wordt gesteld: dat van de onverschilligheid en de wegpoetserij. </zondagochtend>

Fragment uit Herinneringen van een engelbewaarder

Wie de naam W.F. Hermans noemde, vroeger, toen die naam nog wel eens werd genoemd in een gesprek tussen lezers, kreeg binnen de kortste keren een citaat van de meester om de oren over de klassieke roman: ‘(…) waarin bij wijze van spreken geen mus van het dak valt, zonder dat het een gevolg heeft en waarin dit alleen geen gevolg mag hebben, wanneer het de bedoeling van de auteur geweest is, te betogen dàt het in zijn wereld geen gevolg heeft als er mussen van daken vallen. Maar alleen dan.’ Dit citaat heeft veel kwaad gesticht in de Nederlandstalige literatuur, waarin soms te weinig mussen van het dak vallen, zonder dat het een gevolg heeft. (Hele inmiddels helaas ook ‘klassieke’ oeuvres zijn aan dit misverstand ontsproten.)

W.F. Hermans is, onder meer vanwege dit citaat, altijd gezien als een ‘klassieke auteur’, iemand die buitensporig veel aandacht besteedde aan de compositie van zijn boeken en de stijl waarin ze zijn geschreven. Wie Hermans goed leest, ziet dat dit onzin is. Hermans is veel ‘exprerimenteler’ en ‘expressionistischer’ dan zijn imago wil. Hij ijlt soms, zoals Tonnus Oosterhoff uiteenzette in De Revisor. Oosterhoffs beschouwing gaat over De donkere kamer van Damokles, maar wat hij schrijft gaat net zo goed op voor Herinneringen van een engelbewaarder, waaruit ik hieronder een fragment laat volgen: ‘Precies dit razende schrijven maakt De donkere kamer van Damokles zo’n buitengewoon boek in de Nederlandse, misschien de wereldliteratuur. Welke schrijver vóór de grote Willem Frederik durfde iets zo ongeslepens, iets zo ruws en kantigs aan de drukpers toe te vertrouwen? Het verhaal ontstáát voor de ogen van de lezer. Hij zit met zijn neus op het schrijven zelf!’  Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Herinneringen van een engelbewaarder

Misschien schuilt in iedereen een Harry Mulisch

herm014_p69Gisterennacht droomde ik dat ik op een strand kwam. Ik kende de omgeving niet, die was een mengeling van IJmuiden en Cadzand en Oostende. In het water dreef een woonwijk, of was het een stuk land met allemaal bedrijven erop? In de verte stond een hoog gebouw tussen de golven, een gebouw dat iets weg had van de nieuwbouw die aan het Stedelijk Museum in Amsterdam vastzit. Het was grijs buiten, maar ik wilde toch op het strand gaan wandelen. Na een paar seconden zag ik dat de hele horizon werd gevuld met aanrollend water. Een hoge golf kwam op het strand. De woonwijk of het stuk land met bedrijven erop was al verdwenen. Doorgaan met het lezen van “Misschien schuilt in iedereen een Harry Mulisch”

Zoals eenzame gekken dat plegen te doen

de-procedureHet duurt even voordat je de subtiele ironie, waarvan het werk van Harry Mulisch doordrenkt is, ten volle begrijpt. Mulisch is geen typische Nederlander, of Hollander, zoals W.F. Hermans en Gerard Reve. Hij is een Duitse, nee Duits-Oostenrijkse, nee Oostenrijks-Hongaarse, nee Europese schrijver. Zijn stijl is niet bewust-klein, zoals die van Nescio (de meest overschatte schrijver van Noord-Holland) of zelfs maar literair (zoals van de meeste schrijvers): zijn stijl is, hij is wat hij is. Hij is Mulisch, en daarom is hij ook meer dan Mulisch. Dit is overigens een (mislukte) Mulischachtige wending. Doorgaan met het lezen van “Zoals eenzame gekken dat plegen te doen”

Neurotisch lezen

vdi9789023456568Gisteravond las ik het eerste boek van Die Leiden des jungen Werthers. Niet omdat ik een aanval van cultuur had, maar omdat Roland Barthes regelmatig naar het boek verwijst in zijn studie Uit de taal van een verliefde en die ben ik aan het herlezen omdat ik wil weten of Barthes de tand des tijds heeft doorstaan, voor mij (en het antwoord is: deels). Omdat ik voor mijn nieuwe roman ook iets wil weten over Franz Schubert bladerde ik tussen de bedrijven door in Schubert, de biografie van Hans J. Fröhlich. Een moeizaam boek, want Fröhlich wil alle zinnen die hij schrijft tot de nok toe vullen met zijn kennis en hij hanteert een Duitse slopersstijl die alleen bij grootheden als Johann Wolfgang von Goethe of Thomas Mann wel fijn is. Doorgaan met het lezen van “Neurotisch lezen”