George Steiner – Van vrede en van rust

Ik kijk op Tzum naar de aflevering van Van de schoonheid en de troost waarin George Steiner te gast was. Ergens aan het eind van de vorige of in het begin van deze eeuw moet dat zijn geweest, het was een eindetijdsserie die streefde naar een nieuw begin, een serie vol met handreikingen om het moderne leven nog een beetje vol te kunnen houden. Steiner was de ideale gast van Wim Kayzer, de man van de wollige vragen en de gemeenplaatsen. Hij luisterde gewoon niet naar die vragen en draaide zijn eigen riedel af.  Ik vermoed dat Steiner weerstand opriep en oproept. Als er iemand is die het ‘oude’ Europa vertegenwoordigt, dan is hij het: de hogere burger die alles heeft gelezen en alles met elkaar in verband weet te brengen; alles wat eeuwen geleden werd geschreven, welteverstaan. Het ‘oude’ Europa dat nog niet aan de barbaren was overgeleverd en waar een verwijzing in een literaire tekst nog zonder zoekmachine werd herkend. Toch krijg ik, gaandweg, sympathie voor Steiner. Hij worstelt. Hij kan na een leven lezen en schrijven niet begrijpen waarom het hoogste (bijvoorbeeld: Schubert) naast het meest wrede en sadistische (de Holocaust) kan bestaan. Waarom Schubert, ‘de beschaving’, de barbarij niet heeft kunnen voorkomen. Die worsteling maakt zijn leven (en zijn werk misschien, ik ken het niet helemaal) tot een worsteling. Hij kan de vragen die hij zichzelf stelt niet beantwoorden. Op mij komt dat sympathiek over. Steiner is iemand die alles gelezen heeft en niets weet. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van het tegenovergestelde. Die mensen zijn heel, heel minder goed te verdragen. Ik zal hem op mijn eigen manier herdenken. Ik koop zijn boek Errata: an examined life. Op kindleformaat.

Meander: een nieuwe website (literatuur op het web)

Soms keek ik op de website van Meander. Vandaag bleek dat er een nieuwe website is gebouwd, en die staat online. Een jaar of tien volgde ik de Nederlandstalige poëzie intensief. Nu ik dat niet meer doe, is Meander een bron om af en toe eens verse dichtersnamen te leren kennen. Als ik door de site blader, ben ik elke keer blij dat ik al die bundels niet meer hoef in te zien. Er wordt veel geleden, in de Nederlandstalige poëzie. Het is een rauw en nauwelijks te articuleren leed, – elke keer als een Nederlandstalige dichter zijn mond opendoet, sterft er ergens op de wereld een jong en onschuldig diertje. Doorgaan met het lezen van “Meander: een nieuwe website (literatuur op het web)”

Gut essen, of: een poging om van Vladislav Vančura te houden

Op verzoek van Johannes van der Sluis schreef ik voor zijn Tzum-rubriek Underground een tekst over de Tsjecho-Slowaakse schrijver Vladislav Vančura. De hele tekst is te lezen op Tzum.

Mijn eerste ontmoeting met Tsjecho-Slowakije verliep via mevrouw Váňová. Ze woonde aan de straat Polska in Praag in een zeer ruim tweekamerappartement in een negentiende-eeuws appartementengebouw. Ik herinner me het trappengebouw, de grote en hoge kamers, de enorme gang waaraan een keuken lag en de ouderwetse bedden waarin mijn toenmalige vriendin en ik sliepen, op matrassen nog van ver voor de fluwelen revolutie, en de bruinkool-gestookte boiler in de badkamer. Het meest herinner ik me mevrouw Váňová zelf. Ze leek erg op een achterbuurvrouw van ons in Leveroy. Ze sprak zeven zinnen Duits en was volgens mij dik in de zeventig. Ikzelf was toen begin twintig, dus ik kan me vergissen. Ze kan er ook oud hebben uitgezien, voor haar leeftijd. Ze droeg overdag een lichtblauw schort en was een groot deel van haar tijd bezig in die keuken. Als mijn vriendin en ik thuiskwamen van een dag rondlopen door de voor ons nieuwe stad, stond Váňová ons al op te wachten. In haar keuken had ze brouwsels van gehakt, tomaten, uien en paprika gemaakt. Die verdeelde ze over twee borden, waarna ze plechtig tot ons sprak: ‘Frau gut essen, Mann auch gut essen.’ Naast de tafel in onze slaapruimte, waar we moesten gaan zitten met onze borden, stond ze te wachten tot we alles weg hadden gelepeld. Mijn vriendin wist zich na twee dagen aan deze corvee te ontworstelen. Na thuiskomst wreef ze over haar buik en zei: ‘Bauch nicht gut. Monatlich.’ Daar had onze kokkin alle begrip voor, maar ik, de man immers, moest zeven dagen aan een stuk eten wat ze me voorzette. Ik leerde de toen nog Tsjecho-Slowaakse, nu Tsjechische gastvrijheid van nabij kennen. In de straat Polska had Franz Kafka nog enige tijd gewoond overigens, op nummer 28 als ik me niet vergis. We kwamen er elke dag, op weg naar mijn maaltijd, langs. Ik keek elke keer naar het huis en zag niets.

Belangrijke gedachten, gedichten – over Nooteboom en (alweer) Dylan

voorkant-monniksoog-195x300Op Tzum citeert Remco Ekkers uit de nieuwe bundel van Cees Nooteboom: ‘Probeer het, alleen nog maar woorden, geen gevoel, / de macht waarmee ze zichzelf zijn, jij niet meer bestaat / en alleen nog maar luistert, taal weerspiegeld in taal. / Voel hoe je langzaam verdwijnt, buitengesloten,’ nou en zo voort en zo verder. Het hele gruwelkabinet vol nadrukkelijk poëtisch gezweef, en dat in maar vier regels. Toch knap van Cees, om alle poëzie binnen de kortste keren uit de taal te meppen en er een soort catechismustekst voor in de plaats te zetten. Doorgaan met het lezen van “Belangrijke gedachten, gedichten – over Nooteboom en (alweer) Dylan”

Nieuwe Tzum, over Komrij

Net verschenen: de nieuwe Tzum. Die tegelijkertijd de laatste of een van de laatste papieren Tzums is, volgens mij, want het blad gaat online verder. In het blad een beschouwing van mij, onder de titel ‘Geen vadermoord’ en een gedicht, dat ik hieronder plaats.

Andere medewerkers: Kees van Kooten, Alexis de Roode, Maarten Inghels, Paul van Capelleveen, de bibliofielen Willem van Twist en Filip Marsboom, het Artistiek Bureau en Coen Peppelenbos.

Een tijger van papier

Een tijger van papier, die in mijn kasten woont,
leeft averechts, achter de banden waar geen mens
om geeft. Hij voedt zich met geschept papier.
Neemt als dessert wat ruglijm en gerezen wit.
Hij mompelt in zichzelf. Lacht met verbeten ernst.
Op even dagen huilt hij woedend naar de maan.

Maar in zijn nekvel woont een ons zachtmoedigheid,
die soms, vermengd met gal, ineens een vers aanzet.
Hij kijkt ernaar. Hij ziet wat regels maatvast gaan.
Een tijger van papier breekt zich het hoofd. Dat duurt
maar een gedicht. Dan zet hij weer zijn tanden in
de banden die hij, ernstig, één voor één verscheurt.

– Voor Gerrit Komrij, bij zijn 66e verjaardag –