In de metro (42): Bint en Baudet

Sommige mensen verliezen, denk ik, terwijl ik sta te wachten op de metro naar huis, buiten is het dertig graden in de schaduw en ondergronds tien graden kouder, de geur van zweet wandelt als een dronkenlap over de perrons, – sommige mensen verliezen hun vechtlust al voordat ze zijn geboren. Ik zweet, vermoed ik, maar ik durf mijn armen niet op te tillen om onder mijn oksels te ruiken. Ik vertrouw op mijn deo. De zomer is begonnen en mijn lichaam ronkelt van genoegen. Ik vind het fijn als de temperatuur boven de 25 graden komt, de kou is dan echt verdreven. Doorgaan met het lezen van “In de metro (42): Bint en Baudet”

Thierry Baudet en de klassiek-wording van Menno Wigman

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet / steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop. / Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd? Dit is de slotstrofe van ‘Afscheid van mijn lichaam’, een gedicht van Menno Wigman. De eerste volle zin werd gisteren door Thierre Baudet geciteerd in zijn speech na de verkiezingswinst van het FvD. In dezelfde speech zegt Baudet dat Nederland wordt ondermijnd door mensen die kunstsubsidies krijgen, en Menno Wigman kreeg kunstsubsidies, dus waarom hij toch kan worden geciteerd door Baudet is me een raadsel – maar dat is een ander verhaal. Doorgaan met het lezen van “Thierry Baudet en de klassiek-wording van Menno Wigman”

Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt

Het meest vrees ik, tijdens bijeenkomsten met het hoofd van de afdeling marketing, het Baudet-moment. Dat doet zich voor als de persoon die ons werk moet accorderen na het lezen van door zijn secretaresse uitgeprinte a-viertjes, hij leest namelijk liever van papier dan van het scherm, daar is hij heel ouderwets in, ouderwets is goed, vindt hij zelf, en op a-viertjes kun je ook gemakkelijker van die zeikerige commentaren zetten, of grote vraagtekens, of een lachend gezichtje, als je het voor de verandering eens de moeite waard acht wat je leest, het Baudet-moment dus, dat doet zich voor als deze persoon na lezing van ons werk achterover gaat zitten en zijn handen achter zijn hoofd vouwt, alsof hij dat voor een val wil behoeden. Na een stilte van ongeveer zevenduizend jaar zegt hij, altijd volgens een vaste formule: ‘De (beroemde/gelauwerde) schrijver (naam + nationaliteit invullen) schreef in zijn (roman/verhaal/dichtbundel, gevolgd door titel) heel terecht dat (citaat in Engels opnemen).’ Na nog een keer zevenduizend jaar zwijgen vraagt hij: ‘Heb je zijn/haar werk ooit gelezen?’ Ik zeg dan altijd nee, ik heb zijn/haar werk niet gelezen, en interessant dat je ermee komt, want ik heb al jaren de wens om zijn/haar werk te gáán lezen, ook toevallig. Vroeger zou ik hebben gezegd: Ja, dat werk las ik, en daarom weet ik dat je het verkeerd én in een andere taal dan de brontaal citeert. Vroeger is dood, begraven en tot stof vergaan. Meestal zijn die bijeenkomsten op vrijdagmiddag, als het weekend lonkt, en ik heb geen zin in discussies die tot na half zes kunnen duren. Dan mis ik het begin van de vrijdagmiddagborrel, het fijnste gedeelte, als iedereen nog ontspannen is en vol goede moed om er iets van te maken. Na het Baudet-moment en na mijn antwoord krijg ik absolutie, en met mij het hele team. Ga heen, en zondig niet meer. De juffrouw van de afdeling procurance heeft de speciaal voor vandaag gehuurde thuistap al helemaal onder de knieën.