Fragment uit De dokter en het lichte meisje

De dokter en het lichte meisje verscheen in 1951. Ik herlas het boek onlangs, in een door De Bezige Bij in 1967 uitgegeven zestiende druk. Gek genoeg herinnerde ik me weinig van het boek; en ik was er van onder de indruk alsof het een eerste lezing betrof. Het begint meteen al goed: de openingsalinea:

Op die herfstavond, enkele jaren na mijn artsexamen, zat de lange dikke met twee bijna afgestudeerde collega’s op het spaarzaam verlichte caféterras. Ik kwam aanlopen van de brug, en zij zagen me niet. Voor hen stonden drie geleegde bierglazen. Zij hadden zich warm gepraat en zouden dadelijk wel opstappen. Toen ik na enige aarzeling doorliep, was het mij te moede alsof er iets veranderd was, alsof er een ommekeer had plaatsgehad, die mij nog veel te doen zou geven. Deze verandering voltrok, zich binnen in mij, en zij mij niet zagen, niet in staat waren mij terug te roepen, was als een bezegeling daarvan. Vaak lijkt het zo weinig. Men beleeft het op straat, op een regenmiddag, wanneer een druppel iets te hoog en te zilverig terugspat van het asfalt. Daar rijdt een auto, niet eens door een plas, en van de vluchtheuvel springt een dame en holt een zijstraat in, als zag zij over de tramrails de baarlijke duivel aanrollen. Of er verdwijnt een vogel klapwiekend achter een 18de eeuwse daklijst. En dan ineens is het zo ver. Men is anders. Men wordt opgetild en ergens neergezet. Men voelt zich verlaten, en niet verlaten. Men peinst, over niets, of zo goed als niets. Menselijke aangezichten hebben allemaal die nauwelijks beledigende vraag in zich: ‘Wat doe je daar? O, ik zie het al, je staat daar; je denkt, dat ze je opgetild hebben, misschien is dat toch niet helemaal juist.’ Tot de werkelijkheid teruggebracht loopt men verder, en men vergeet het weer. Maar die druppel en die vluchtheuvel en die dame en die vogel komen altijd terug, in de gedaante die hen past.

Fragmenten uit De hotelier doet niet meer mee van Simon Vestdijk

‘In de Alpen komt geen fatsoenlijk man, dat zal iedereen met mij eens zijn. Zien wij af van een paar wetenschappelijke onderzoekers, een paar doldrieste veldheren, een paar handelsreizigers, tuk op Zwitserse kaas en horloges, dan is er voor de mens van onze tijd op die ongemotiveerde bodemverheffingen niets te zoeken. Ik vind ze ook niet mooi. Een schilderijtje van de Alpen is gruwelijk.’

‘‘‘Ja,’’ zei hij, waarna hij even opkeek en zijn glimlach liet spelen, bijna guitig, ‘‘als een schande wordt het Bonapartisme hier niet gevoeld, maar men kan er het vuurpeloton mee verdienen.’’’

‘(…) Men hoefde hem maar in een gang of in een kamerdeur te zien staan om te weten, dat dit een der sleutels tot zijn karakter was. De dwergenkoning met het doosje, dat duiveltjes baarde, en waar hij zijn hand ophield om niet de hoop méé te laten ontsnappen. Het hoofd scheef, op de tenen (of op die hoge hakken, die mij vroeger aan toneellaarzen hadden doen denken), de glimlach niet in de ogen, die even goed lokten en beloofden, ‘‘Let op, daar komt het, dat had je nooit gedacht, dit is het, het geluk op aarde, grijp het bij zijn staart, anders vliegt het weg, ik heb er maar beperkte zeggenschap over, let op, let op, en wees mij niet dankbaar…’’ Zo zou hij ook tegenover de Kleine Korporaal staan, wanneer die ooit zo gek was zich van Sint-Helena te laten lokken. Monsieur Trublet was zelf zo’n Kleine Korporaal, de bij- en erenaam past verbazend goed op hem: even klein, even parmantig, en koppig als niets ter wereld, en graag anderen overvallend, met het goede of met het kwade. Daarom hield ik ook van hem.’

Uit: Simon Vestdijk, De hôtelier doet niet meer mee, Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage -Rotterdam, 1968

Overlijden zonder Vestdijk te lezen en de hand als intiem lichaamsdeel (en nog van alles)

Foto: Wikipedia

Griet Op de Beeck is misschien misbruikt door haar vader. Er is een overdaad aan secundair bewijs, vertelde ze bij De Wereld Draait Door. Het gaat me niet om haar nieuwe ‘thema’ en ik wil ook niet meezingen in het koor van Op de Beeck-haters, integendeel, ik vind haar, hoe zeg je zoiets? – ik vind haar sympathiek. Wat me tijdens DWDD wel opviel: iemand die een boek geschreven heeft over incest, een roman, komt op televisie bijna een half uur vertellen over gebeurtenissen die in haar echte leven misschien hebben plaatsgevonden. De vraag of het een en ander iets met literatuur te maken heeft, wordt niet eens meer gesteld. Echt gebeurd is wel degelijk een excuus. Ik ben waarschijnlijk naïef als ik me daarover nog verbaas.

Doorgaan met het lezen van “Overlijden zonder Vestdijk te lezen en de hand als intiem lichaamsdeel (en nog van alles)”