Schubert loopt even alles door

Schubert schreef het Strijkkwintet in C-majeur (D956, opus postuum 163) twee maanden voor zijn dood. Hij was pas 31. Hoewel hij, zoals bijna alle mannen in die tijd, leed aan syfilis, stierf hij aan tyfus. Het waren ruwe tijden, zonder ziekenfonds. Er zijn dingen die iedereen weet, of voelt, en die niemand kan zeggen of uitbeelden. Hoewel. Soms is er een schrijver die dat, via een omweg, kan benaderen. Of een schilder die je om het hoekje laat kijken. Of een componist en muzikant die, zoals Schubert, laat horen dat het er is, luister maar goed, zo zit de wereld in elkaar – en aan het eind ga je weliswaar dood, maar dat geeft niet. Het was soms heel erg mooi, bijvoorbeeld toen, aan het eind van het adagio, je was een dag aan zee met iemand en het was mooi weer en daarna zijn jullie pizza gaan eten van de Albert Heijn, omdat jullie geen zin hadden om uit te gaan. Doorgaan met het lezen van “Schubert loopt even alles door”

Neurotisch lezen

vdi9789023456568Gisteravond las ik het eerste boek van Die Leiden des jungen Werthers. Niet omdat ik een aanval van cultuur had, maar omdat Roland Barthes regelmatig naar het boek verwijst in zijn studie Uit de taal van een verliefde en die ben ik aan het herlezen omdat ik wil weten of Barthes de tand des tijds heeft doorstaan, voor mij (en het antwoord is: deels). Omdat ik voor mijn nieuwe roman ook iets wil weten over Franz Schubert bladerde ik tussen de bedrijven door in Schubert, de biografie van Hans J. Fröhlich. Een moeizaam boek, want Fröhlich wil alle zinnen die hij schrijft tot de nok toe vullen met zijn kennis en hij hanteert een Duitse slopersstijl die alleen bij grootheden als Johann Wolfgang von Goethe of Thomas Mann wel fijn is. Doorgaan met het lezen van “Neurotisch lezen”