Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm

Na lezing van dit onderzoek van Kila van der Starre, gisteren tijdens of voorafgaand aan de Nacht van de Poëzie in Utrecht gepresenteerd, een onderzoek dat haar zeker ooit de Roos Vonk-leerstoel zal opleveren, presenteer ik – nog steeds confuus van zoveel wijsheid – een samenvatting van Van der Starre’s titanenwerk:

Nederlanders denken bij de term ‘mensen’ vooral aan ‘institutioneel erkende’ mensen. Mensen die door erkende instanties erkend worden als mens, worden ook door het merendeel van de volwassen Nederlanders als zodanig erkend. Mensen met minder erkenning uit de officiële wereld zijn ook in de ogen van de meeste Nederlanders minder vaak mensen. Wel zijn dit soort mensen veel bekender dan de mensen die officieel als mens worden beschouwd. Denk hier aan de BraboNeger, Gerard Joling en de TuigVlogger. Wanneer Nederlanders denken aan mensen, denken zij in veel gevallen aan (het voorkomen van) officieel erkende mannen (zoals Barack Obama, Jesse Klaver of Vladimir Poetin). Doorgaan met het lezen van “Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm”

Het eerste gedicht, eerste reacties

Onlangs verscheen Het eerste gedicht, over het lezen van poëzie.  Wat voor een boek is dit? Een citaat: ‘Poëzie lijkt zo alomtegenwoordig, dat je bijna zou vergeten dat het mogelijk is om gedichten te lezen. Dat laatste is dan ook wat Chrétien Breukers in dit boek doet. In veertig artikelen leest hij, daarbij alleen uitgaand van de woorden die een gedicht bevat, eenenveertig eerste gedichten uit eenenveertig Nederlandstalige dichtbundels. Deze artikelen worden geflankeerd door een voorwoord waarin Breukers de positie van de dichtkunst in deze tijd schetst en een drietal artikelen over zijn literaire voorbeeld, de op 5 juli 2012 overleden Gerrit Komrij.’

De eerste reacties zijn afkomstig van Marc van Oostendorp. Op zijn weblog schreef hij onder meer: ‘Maar juist dat onvoorspelbare maakt de charme uit van De Contrabas, en van deze bundeling. Hier is iemand van dag tot dag aan het worstelen met de materie, met de vloed aan bundels die over hem wordt uitgestort en met de vraag hoe het allemaal verder moet. Was ik een recensent, ik zou zeggen: Lees die man. Maar ik ben een blogger en ik zeg: wat een levende knekel.’

Joep van Ruiten heeft in een open brief aan mij kritiek, maar blaast ook op de loftrompet: ‘Laat ik beginnen te zeggen dat ik je een van de beste schrijvers van ons taalgebied vind. Vooral stilistisch. Scherp, origineel, geestig. Jij weet hoe zinnen moeten lopen, jij weet hoe je een lezer geboeid kunt houden. Door van hoog naar laag te gaan, en andersom. Door iets diepzinnigs af te wisselen met iets plats. Kortom, door de mogelijkheden van de taal ten volle te gebruiken – om maar eens iets flapteksterigs op jurytoon te dingesen.’

Rutger H. Cornets de Groot besteedde aandacht aan een voorpublicatie. ‘Breukers pakt zijn lezing van het gedicht op een aparte manier aan, nl. door het – NB na de woorden Ik ga proberen te lezen wat er volgens mij staat – met een ánder gedicht te lezen, van Jos de Haes. Dat kan natuurlijk best, twee gedichten met elkaar vergelijken, maar bij een gedicht dat vanaf de titel al zo zwaar met mythologie beladen is, zou ik liever willen weten wat er zich boven dat systeem van verwijzingen afspeelt. Het is een haast algemene ziekte in de online poëziebeschouwing: de neiging om gedichten vanuit persoonlijke associaties en bibliotheken te lezen.’

Ik ben benieuwd naar de volgende recensies, en ik heb aankomende dinsdag een kranteninterview. Meer info volgt.

Perron Poëzie

Het blad Zuiderlucht had lange tijd een rubriek onder de titel “Perron Poëzie”. Er was plek voor 28 dichters (en Huub Beurskens) die allemaal een bijdrage leverden. Enige spelregel: “het gedicht moest veertien regels tellen, het klassieke format van het sonnet.” Medewerkende dichters zij (onder meer): Frans Budé, Emma Crebolder, Luuk Gruwez, Paul Janssen en Hans van de Waarsenburg. Mijn gedicht:

Hoe?

Hoe zal ik u beminnen? Haal ik de harde hand
van stal of heeft u liever eerst muziek en wijn
en ruis van nepsatijnen lakens?

Zal ik voor u een bok doen toebereiden
in zijn eigen melk? Mijn hoeven zet ik
in uw vlees. Mijn woede reageer ik
af op officieren uit mijn leger.

Fijne spijzen voor de lekkerbek.
Schuimgebak laat ik verkruimelen.
Rosbrief door de gieren bijten.
Het land wens ik te drenken: bier en wijn.

Hoe zal ik u beminnen? Nu of later,
tegenwoordig, onvoltooid? Ik ben uw kater
en zo plooibaar als een tafelkleed.