Toespraak Peter Drehmanns in Boekhandel Wim Krings, 27 maart 2014

In een van de vele smakelijke anekdotes die het boek Een zoon van Limburg sieren, biecht de verteller op dat hij al vóór de eerste communie aan een hostie heeft geknabbeld omdat zijn vader ooit een stukje voor hem meenam. De kennismaking met dit heilige koekje beviel de jonge Chrétien maar matig, vooral toen hij te horen kreeg dat het baksel niet van deeg was bereid maar het Lichaam van Christus betrof. De scepticus is al vroeg ontkiemd in hem en zal uitgroeien tot de doorgewinterde ironicus die anno 2014 schrijft: ‘Iemand opeten die je eerst aan een stuk hout hebt laten spijkeren. Smakelijk eten.’

Deze even amusante als significante episode uit Een zoon van Limburg woelde in mij een herinnering los. Ook voor mij ging het eten van de hostie gepaard met nogal ambivalente gevoelens. Ik ontdekte dat het Lichaam van Christus niet overal even mals was en uiteenlopende smaaksensaties bewerkstelligde. De hosties die de Munsterkerk in Roermond fourneerde waren uitgesproken plakkerig, je kreeg ze bijna niet van je tong geschraapt en daarna bleven er witte flintertjes tussen je tanden kleven. De hosties daarentegen van de Sint-Franciscuskerk in het tien kilometer verderop gelegen dorp Haelen waren knapperig, krokant en geelbruin – tamelijk smakelijke koekjes kortom. Dat vond ook mijn buurjongen, die elke zondag twee keer in de rij ging staan om extra van het Lichaam van de Messias te kunnen snoepen. Doorgaan met het lezen van “Toespraak Peter Drehmanns in Boekhandel Wim Krings, 27 maart 2014”

Lezen (60)

Nu ik iets verder ben (dan tijdens mijn vorige bericht) in de roman Erfsmet van Peter Drehmanns (een erg goed boek, overigens, althans, tot nu toe, ik ben op bladzijde 200) krijg ik steeds meer bewondering voor de manier waarop de auteur soms flink aan het schmieren kan slaan.

Schmieren is, volgens mijn editie van de Van Dale (uit 1989 alweer: ‘Spelen als bij een schmiere: 1. zeer sterk op effect spelen, op de zaal spelen; – 2. zijn rol niet serieus spelen, zich er met een Jantje van Leiden vanaf maken.’ Een schmiere is dan weer een: ‘rondtrekkende troep toneelspelers van lage klasse.’ Doorgaan met het lezen van “Lezen (60)”

Lezen (57)

Soms word ik wel eens opgebeld door Peter Drehmanns. Het gesprek gaat meestal over poëziegerelateerde zaken. Drehmanns vindt dat ik altijd somber klink, dat de manier waarop ik mijn naam zeg na het aannemen van het gesprek het ergste doet vermoeden over mijn humeur en/of geestelijke welzijn.

Lodewijk van Deyssel schreef de gesprekken die hij wilde láten voeren uit. Een bediende richtte vervolgens, strak geregisseerd, het woord tot bijvoorbeeld een restauranthouder (om een diner samen te stellen), een kruidenier of een speelgoedwinkelier. De heer Alberdingk Thijm laat vragen… telephoonbriefjes, onder die titel verschenen deze briefjes in 1976. Aan de vergetelheid ontrukt, uiteraard, door Harry G.M. Prick. Doorgaan met het lezen van “Lezen (57)”

Lezen (12)

De afgelopen week las ik twee romans van hedendaagse Nederlandse auteurs. Grip van Stephan Enter en De schrijver en zijn meisjes van Peter Drehmanns. Ik vond het allebei, om verschillende redenen, heel goede boeken.

Van de twee is Enter is de behoedzaamste stilist, die goedlopende zin na goedlopende zin aan de lezer voorschotelt. Hij formuleert bedachtzaam, elegant en met een schijnbaar groot gemak; maar het is altijd de schrijver die de touwtjes in handen houdt en die de lezer voortleidt aan de halsband van zijn stijl. Enter wikt, en de lezer krijgt te zijner tijd te horen wanneer hij mag beschikken. Op de website van boekhandel Athenaeum staat een voorpublicatie en ik citeer vrij willekeurig een zin:

“Dat was bijzonder aan Lotte – dat ze continu sarcastisch was en dan zo’n opmerking kon maken zonder zelf sarcasme over zich af te roepen. En dat kwam niet doordat ze het al met voorbehoud of ironie bracht, integendeel: ze had iets kinderlijk theatraals en ijdels over zich als ze zoiets zei – haar stem ging omhoog en je hoorde haar woorden trillen. Maar op de een of andere manier voelde je aan, ook al had je haar nog maar net ontmoet, dat die incidentele pathetiek echt was en bij haar hoorde; dat haar gevoelsleven opeens als een zenuw blootlag.”

Mooi. Bij vlagen perfect. Maar de schrijver spreekt tot ons, we worden niet het verhaal in geduwd (of getrokken).

Drehmanns pakt het anders aan. We krijgen een inkijkje in het geestelijke leven van de wat mopperachtige schrijversfiguur Mark Gerstenberg, iemand die het niet getroffen heeft met de huidige modes in het literaire bestel. Gerstenberg kankert er vrolijk op los. Niet altijd even genuanceerd (maar waarom zou hij?) en zeker niet altijd even redelijk. Redelijkheid is meer iets voor, tsja, andere mensen.

Die mensen die de hel bevolken.

Een citaat: “De wereld lag overhoop, crisissen bij de vleet, vulkaanuitbarstingen, digitale revoluties en olievlekken wijd en zij, neofascisten, bankbonzen en reclametuig alom aan de macht, de snuitkever was bezig aan een verwoestende opmars, de huizenmarkt stortte daarentegen geheel in, het aantal depressies rees de pan uit, vrouwen die erop los ‘vlinderden’, kerels die bij bosjes door hun prostaat werden geveld, kinderen die zich niets meer lieten zeggen, de ene familiemoord na de andere – en hij wist niet meer waarover hij moest schrijven, kreeg geen letter op papier, geen format uit zijn kop geperst, voelde zich behalve met zijn zaadstreng nergens mee verbonden.”

Enter kiest voor “afstand”, Drehmanns moppert en ronkt er (soms vrolijk) op los. Die twee benaderingswijzen leveren allebei een goed boek op. Dat is een kwestie van het onbenoembare, dat talent heet. Dat leverde Enter nu een succesboek op, en ik vind dat Drehmanns hetzelfde verdient.