Ongelovig katholiek – Pinksteren

Hoewel niet van belang ontbloot, hing Pinksteren er als feest altijd een beetje bij, als het vijfde wiel aan de wagen na de Adventstijd, Kerstmis, Pasen en Hemelvaart. Hoewel het begin van de christelijke kerk werd gemarkeerd, deden wij er weinig aan. Zelfs onze pastoor haalde niet het onderste uit de liturgische kan, als ik het me goed herinner.

De passage waarin de Heilige Geest zich uitstort staat in het boek Handelingen en gaat zo: Doorgaan met het lezen van “Ongelovig katholiek – Pinksteren”

Ongelovig katholiek (10)

Een grapje van Toon Hermans. ‘Als ik ’s ochtends wakker word, om zes uur, denk ik meteen: nu een koude douche en dan houthakken. Daarna draai ik me om en slaap door.’ Dat heb ik op zondag ook wel eens, maar mijn gedachten gaan uit naar de ochtendmis. Gezellig om acht uur naar de kerk, daarna in een nog stil huis koffie zetten en een eitje bakken. Of een boterham eten met meikaas. Meteen na die gedachte val ik weer in slaap. Om pas wakker te worden om kwart voor tien, als de klokken hun oproep voor de hoogmis beieren. Tijd om te gaan douchen.

Ongelovig katholiek (9) – Geen mis

Witte rook. Het definitieve antwoord op deze kwestie (is er wel of geen mis op Goede Vrijdag; zie ook de opmerking onder het bericht van Adriaan Krabbendam) werd mij gegeven door Peter Nissen. Ik citeer, met toestemming:

Er is inderdaad op Goede Vrijdag (en op Stille Zaterdag tot aan de Paaswake) géén mis. Wel kan op Goede Vrijdag tijdens de viering van de herdenking van het lijden en sterven van Jezus, die meestal ’s middags plaatsvindt, communie worden uitgereikt, maar dat zijn dan hosties die tijdens een eerdere eucharistieviering zijn geconsacreerd. Die komen dus uit wat zo mooi heet ‘de heilige reserve’, die in het tabernakel wordt bewaard. Overigens zijn die hosties op Witte Donderdag overgebracht naar een zijaltaar; het tabernakel wordt in de liturgie van Witte Donderdag leeg gemaakt en de hosties worden in een kleine processie overgebracht naar een andere plek. Als er een uitvaart is op Goede Vrijdag op Stille Zaterdag – men probeert dat zoveel mogelijk te vermijden door de uitvaart over de Paasdagen heen te tillen, maar vroeger kon dat soms niet -, dan is dat een uitvaart zonder eucharistieviering, maar met eventueel op Goede Vrijdag ook wel communieuitreiking, opnieuw ‘uit de heilige reserve’. Op Stille Zaterdag wordt nooit communie uitgereikt, tenzij als viaticum bij de toediening van de laatste sacramenten aan een stervende.

De woordcombinatie ‘heilige reserve’ staat ineens voor me, als titel voor een dichtbundel.

Ongelovig katholiek (8) – Paaswake

Gisteren naar de paaswake geweest in de kerk hier op de Tasmanstraat. Ik kan niet zeggen dat ik er de hele twee (2) uur rustig bij heb gestaan en gezeten. Het alleen (dus: niet in gezelschap van iemand) bezoeken van een dergelijke dienst en mis, al durf ik niet meer precies te zeggen of het nu een dienst was of een mis, of allebei, is omgeven met een zekere mate van schaamte.

In zijn boek Moeder en Zoon gaat Gerard Reve, worstelend met wat je het begin van aanvechtingen richting het katholicisme kunt noemen, ‘na thuis nogal wat gedronken’ te hebben, een kerk binnen. Hij neemt zich voor de daar aanwezige geestelijke aan te spreken: ‘Kunt u mij misschien helpen? Kunt u me zeggen, waarom ik me schaam?.. Ik schaam me… Ik ben hier, maar ik schaam me… Ik word gek van schaamte. Kunt U… Jullie weten toch alles?’

Zoiets voelde ik gisteren, tijdens de wake. Mijn gedachten namen ook niet de mystiek-revistische baan die Reve altijd en overal ten dienste stond. Bovendien waren de misdienaartjes allemaal meisjes van het vrouwelijk geslacht; ik ben niet in de wieg gelegd voor het revisme, dat zal het zijn, en die arme meisjes konden het ook allemaal niet helpen.

Nee, ik stond mij daar gewoon te schamen, tussen die twintig of dertig grotendeels oudere mensen (en drie vertegenwoordigers van de moskee), ook al had ik er geen enkele reden toe.

Op den duur waren we allemaal vergaderd rond ‘de tafel’ (een tafel, inderdaad, die vroeger ook wel ‘altaar’ werd genoemd) en brak men uit in een gezang over de onkenbaarheid en onzichtbaarheid van God. Ondanks die onkenbaarheid en onzichtbaarheid geloofden de daar aanwezige mensen (althans, dat neem ik aan) in Hem.

Het is precies daar, waar mijn geloof tekort schiet. Ik kan me nog wel voorstellen dat er een gemeenschap bestaat van mensen, die zich groeperen rond ‘het onbekende’ of ‘het mysterie’, maar ik kan me niet voorstellen dat ‘het onbekende’ vervolgens als, tsja, als God wordt toegesproken en aanbeden.

Na thuiskomst heb ik de tekst waarover ik het hierboven had op google proberen te vinden. Hij is, zag ik in nota bene de tekst van de uitvaartdienst voor Jos Brink, van Huub Oosterhuis. Het is zo’n typische Oosterhuistekst, meel in de mond, week gemurmel op een bed van humaniteit. Ik citeer het slot:

Als Gij hem hebt gered van de dood,
God, als hij dood en begraven, toch leeft bij U,
redt dan ook ons en houdt ons in leven,
haal ook ons door de dood heen, nu
en maak ons nieuw, want waarom híj wél,
en waarom wij niet?
Wij zijn toch ook mensen.

Een geval jammer. Áls God ‘het onbekende’ is, en als hij zijn zoon heeft uitgezonden om mens te worden, waarna diezelfde zoon ook nog moest lijden, sterven én verrijzen – dan is die Christus juist net een slag anders dan wij, mensen. Mens-geworden, zeker; maar geen gewoon mens.

Het is de wens om alles naar eigen maat te snijden die me uiteindelijk over mijn schaamte heen hielp en me de ergernis induwde, de ergernis om de slordige taal, een taal waarvoor je je het liefst achter een zware steen in je graf verschuilt. Huub Oosterhuis is iemand over wie je, ook weer Reve citerend, zou kunnen zeggen dat ‘het alleen al wat hem betreft de moeite waard (is), de Opstanding af te schaffen.’

Ongelovig katholiek (7)

E-mail van mijn moeder. ‘Jij als Leveroyse katholiek moet toch weten dat er goede Vrijdag geen mis is. Alleen een herdenkingsdienst.’

Ik wist dat wel, maar was het vergeten. Reden waarom ik nu, op Stille Zaterdag, het Mea Culpa aanhef.

Dat heb ik, overigens, altijd een wonderlijk iets gevonden, die schuldbekentenis. Ik voelde me er bijna persoonlijk door aangevallen. Hoezo, schuld, grote schuld? Ik?

Maar dat is een zijpad en het gaat er dus om dat er tijdens Goede Vrijdag geen mis is. Waarvan akte.

Ongelovig katholiek (6) – Goede Vrijdag

Op de lagere school gingen we klassikaal ter kerke op Witte Donderdag en, vooral, op Goede Vrijdag. De hele school, onder leiding van het licht-bigotte schoolhoofd.

Tijdens de mis op de vrijdag was onze pastoor, Nijhoff, in staat om zijn aangeboren theaterneigingen ten volle te ontplooien. Hij riep de manier waarop Jezus naar de executieplek werd geleid op in bronzen bewoordingen. Er vielen klappen, letterlijk, althans, wij voelden hoe de karwats van die nare sadisten, die Romeinen, op ons neerkwam.

De kruisiging werd kracht bijgezet met vuistslagen op het altaar; voor elke spijker één. Je voelde hoe je vlees open spleet, botten werden versplinterd, je proefde het bloed in je mond. Of was het azijn, de vloeistof die weer andere ellendelingen Hem te drinken gaven? Het  ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ joeg de laatste geloofsijver (en, paradoxalerwijs, alle geloofstwijfel) uit ons weg. Daar, tussen twee moordenaars, hingen wij, en wij zouden worden geofferd.

Onder onze sterfplek werd om onze schamele bezittingen gedobbeld.

Als de voorhang van de tempel scheurde, waren wij, schoolkinderen, zo mak als het Lam Gods en zo kneedbaar als was. De pastoor kon met ons doen wat hij wilde – en nee, dat bedoel ik niet als een aanvulling op de onderzoeken van de Commissie Deetman. Hij kon ons, voor de duur van een Paasfeest, gelovig laten zijn. Ergens in het begin van de maandag was dat, gelukkig, weer over.

Martinus Nijhoff, van wie onze pastoor een achternaamgenoot was, publiceerde dit gedicht in de bundel Vormen. Het heet ‘De soldaat die Jezus kruisigde’.

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief -’
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’

Ongelovig katholiek (5) – Witte Donderdag

Vandaag is het Witte Donderdag, de dag waarop (onder andere) de instelling van het Laatste Avondmaal wordt herdacht. Als kind vond ik het verhaal over Jezus die, wetend dat zijn laatste dag is ingegaan, met de apostelen aan tafel zit (in plaats van te vluchten, of iets anders te ondernemen) totaal onbegrijpelijk. Hij zat, vrijwillig, zijn galgenmaal voor, sterker: tijdens dat galgenmaal vergat hij zelfs niet om richtlijnen uit te vaardigen voor de herdenking ván dit avondmaal.

Ik was, en ik ben inmiddels oud genoeg om dat zonder ironie te kunnen zeggen, een gevoelig jongetje dat intens mééleefde met Jezus. Omdat we wekelijks over zijn leven (en uiteindelijk sterven en verrijzen) te horen kregen, in een strenge jaarlijkse regelmaat, had ik me zijn leven eigen gemaakt. Ik was met hem begaan zoals ik met een oom begaan zou zijn geweest, of met een veel oudere broer.

Martin Mosebach schrijft in zijn boek Häresie der Formlosigkeit: ‘(…) die römische Liturgie und ihr Feind over het Laatste Avondmaal: ‘Und danach, postquam coenatum est, ergreift er ein Stück des übriggebliebenen Brotes, und er verleiht mit dieser einfachen Geste, die nichts stört, sonder die aus dem Ritus wie eine neue Blüte herauswächst, alles was vorher war und was nachher geschieht, eine neue Bedeutung.’

Daar reageerde ik ooit op, in een helaas verdwenen bijdrage op Literatuurplein: ‘Waarom ontroerde deze passage mij zo direct? Ik denk om het erin verwoorde besef dat iets nieuws kan ontspringen aan het oude, zonder het te verstoren – terwijl dit nieuwe alles ‘wat was en wat zal zijn’ toch een nieuwe betekenis verleent. Ik las een mooie definitie van wat poëzie is, besefte ik, een definitie die zich niet bedient van de “breuk” waar avantgardisten zo dol op zijn, maar een vernieuwing die wortelt in het oude, zonder zich eruit los te willen scheuren.’

Op Google zoekend naar gedichten over Witte Donderdag kwam ik bij onderstaand gedicht van Andrea Voigt uit. Het is, omdat het zo geheimzinnig is in zijn directe zegging, een ijzersterk gedicht dat ik nu al jaren af en toe herlees. Binnen de grenzen van dit stukje gaat het me vooral om de laatste zes regels, die het perspectief van het gedicht ineens verleggen; Voigt stapt over de tegenwoordige tijd en in de slotregels lijkt ze, tenminste, ik associeer daar naar toe, te willen beschrijven wat dat is, aanzitten aan een laatste avondmaal: wachten op de honger en de koude.

Donderdag

Ik stak de sleutel in het slot en wrikte
de deuren schuurden langs de drempel
de kamer was verlicht, het bed gespreid

op tafel stond een pot met soep
de haverkoeken lagen op een bord
met vette, geeloranje kaas en uien en augurken

ik kon lopen door de kamer met een mond vol Schotse zalm
aan tafel zitten bij de warmte van een vuur
bekers vol met whisky kon ik drinken

ik snijd het zware brood in dikke plakken
en leg het op een plank met zoute boter
met honing en met bittere marmelade

in het midden van de kamer ga ik zitten
op de oude stenen vloer
wachtend op de honger en de kou

© Andrea Voigt

Ongelovig katholiek (4)

‘En eh… geloof ik ook in die God van mij? Van de wenselijkheid, zeg maar gerust de noodzaak van zo’n geloof ben ik geheel doordrongen, maar wat geloven is en hoe het moet heb ik nooit kunnen ontdekken.’ Een citaat van Frans Kellendonk uit ‘Beeld en gelijkenis, over God’, een essay uit de bundel De veren van de zwaan, zijn laatste grote werk.

Kellendonk sluipt in zijn essay om God heen, zoals een kat om een al deerlijk verminkte huismus. Hij overweegt en onderzoekt meerdere manieren om tot geloof te geraken, de ratio, de overgave en het eenheidsdenken, om na veel geaarzel en af en toe een uitval tot deze conclusie te komen:

Intussen voegt ieder verhaal dat ik schrijf zich ongemerkt naar de ritus van de éne, heilige, katholieke en apostolische kerk, zoals ik die jarenlang minstens eenmaal per week heb meebeleefd. Hersenspoeling? Ik denk liever dat ik, een ongelovige, toch Gods werk doe, dat ik Zijn blinde handlanger ben en door mijn werk mezelf schep naar Zijn beeld en gelijkenis, zoals Hij Zichzelf schept door mij. Misschien, denk ik nu (en mijn onbehagen wordt zo groot als de kosmos), twijfelt God wel net zo hevig aan Zijn schepping als ik twijfel aan Hem, en is werkelijk geloven pas mogelijk in het Nieuwe Jeruzalem, waar Hij en ik één volmaakt lichaam zullen zijn.

Dat Nieuwe Jeruzalem staat beschreven in deze passage uit het bijbelboek De Openbaring van Johannes. Wie weet hoe het Frans Kellendonk is vergaan, aan welke ziekte hij stierf (AIDS), kan deze slotalinea alleen maar lezen als de uiting van een verlangen: het verlangen om na de dood, die dichtbij is, één te zijn met God – als ongelovige.

Ik besef dat dit veel te week klinkt, als ik het zo formuleer. Kellendonk zelf hamert er voortdurend op dat hij een ongelovige is, iemand die naar de kerk toegetrokken wordt, maar er strikt genomen niet bij kan of wil horen. Daarnaast is hij onderdeel van de kerk, van het ‘mystieke lichaam’, (we zijn hier in een wereld waarin alles meteen in een tegendeel verkeert) zonder er een vrije wil tegenover te kunnen stellen.

Het essay van Kellendonk bevat zijn meest geciteerde zinnen: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen, maar helaas is het niet zo dat het geloof begint waar het verstand ophoudt. Chesterton leek in zijn boek te menen dat je langs de weg van de rede tot God kunt geraken, maar Chesterton kon dat denken omdat hij al geloofde.’

Ik zou de hele tekst willen citeren, maar dat hoeft niet: dat doet DBNL al. Toch, nog twee zinnen: ‘Het ontbreekt me aan vertrouwen en dat komt weer doordat het me aan geloof in God ontbreekt. Geloven, lees ik in mijn handboek van de katholieke leer, is “geen door eigen arbeid verworven inzicht, maar overgave.”‘

Precies dat maakt het geloof zo huiveringwekkend. Je moet je er aan overgeven. Er is geen andere weg. Dat je daarvoor niet per se debiel hoeft te zijn, of overdreven volgzaam, is mij inmiddels bekend. Maar hoe kan ik de eeuwige twijfelaar, de mens die ik ben en die niet is ingericht op onvoorwaardelijke overgave, ombouwen tot iemand die gelooft? Het is alsof je op de duikplank staat en weet dat je, over een paar seconden, in het zwembad ligt, veilig omsloten door water: maar je springt niet.

Ongelovig katholiek (3)

In mijn vorige stukje had ik het over het reukwater dat speciaal op het stoffelijke omhulsel van de Heilige Vader (de obsessie die de kerk heeft met het vaderschap!) wordt toegesneden door Silvana Casoli. In haar wekelijkse column voor De Morgen behandelt Ann de Craemer deze kwestie ook. Zij spreekt harde woorden: ‘Nooit zal er een geur zijn die de stank kan verdoezelen van de criminele organisatie die de katholieke kerk is (…).’

Of de katholieke kerk een criminele kerk is? Dat weet ik niet, maar het is natuurlijk onmiskenbaar dat er inmiddels zo veel modder is komen bovendrijven dat een lekker luchtje geen overbodige luxe is. Al zou een totale reorganisatie (met harde hand en niet voorafgegaan door de onderzoeksfarce die de ‘onafhankelijke commissie’ onder Deetman uitvoerde) beter zijn.

Misschien maakt de huidige paus met zijn keuze voor dit exclusieve reukwater een knipoog naar een ander fenomeen dat in de katholieke kerk, en dan met name als er mensen zalig of heilig moeten worden verklaard, een rol speelt: dat van ‘de geur der heiligheid’.

Een heilige gaat, zo wil het geloof, namelijk meestal niet tot ontbinding over na zijn dood en verspreidt dus geen lijklucht, maar een geur die inderdaad ‘heilig’ is. Deze geur speelt een belangrijke rol bij het hele proces dat voorafgaat aan zalig- en heiligverklaring, een proces zo ernstig en in wezen tóch surrealistisch – dat kan alleen een oude kerk bedenken. Er wordt zelfs in het graf van de beoogde zalige en/of heilige gekeken, om te controleren of de fijne geur nog steeds rondwaart.

Theresia van Lisieux is een voorbeeld van zo’n welriekende heilige. Helaas bleek haar stoffelijk omhulsel geheel en al vergaan, toen de kerkelijke autoriteiten haar graf, voorafgaand aan de heiligverklaring, openden. Dat mocht de pret natuurlijk niet drukken en stond de verering van deze non niet in de weg. Is de geur niet goed, dan zijn er altijd nog wel andere zaken waar de commissie die is belast met de verklaring zich op kan richten.

De katholieke kerk is volgens De Craemer een misdadige organisatie, maar ze is ook iets anders: een sterk in het volksgeloof en paganisme wortelende sekte die een weefsel van mythen en (bij)gelovigheden tot een levensbeschouwing heeft weten om te bouwen.

Ik werd op ‘de geur van heiligheid’ gewezen door mijn vriend Manuel Kneepkens, Limburger en net als ik een ongelovig katholiek. (Vrees niet, wij zullen geen kerkgenootschap oprichten.) Hij heeft het er over geschreven in zijn roman Het Boek Foutu, kroniek van een poëtisering. Maar dat is een ander verhaal, voor in een ander bericht.

Ongelovig katholiek (2)

De katholieke kerk is een ideaal instituut. Ik zou er meteen actief lid van worden. Alleen jammer dat  er zo veel katholieken de dienst in uitmaken.

De ongelovige heeft, meer dan waarschijnlijk, gelijk. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij dat ook automatisch moet kríjgen.

Tijdens het lezen van boeken van Richard Dawkins, Bil Bryson of Kris Verburgh voel ik, excuseer het woord, een bijna religieuze vervoering. Het besef dat de aarde is opgenomen in een geheel waar ik alleen in aanbidding naar kan opkijken. Al is opkijken niet het juiste woord, want ik kan het geheel sowieso niet zien. Ik ben onwetend en voel me, heel even, via die boeken, verbonden met een bron van kennis waar ik helaas niet uitgebreid van kan drinken. Vanwege te dom. Omdat ik hun teksten niet echt begrijp, geven ze me het besef dat ik iets leer, meer dan welke andere lectuur dan ook.

God is niet voor niets “de vader”, “de wet” en “het woord” in een. Als je geen vaderbeeld hebt, geen wetgevende instantie, geen taalbron – dan is het al een stuk moeilijker om die hele santekraam – letterlijk – aan te nemen. Het geloof is een zaak van vaders en, onvermijdelijk, zonen die in de voetsporen van de (willen) vader treden. Hoe het met de moeders en dochters zit, is mij niet duidelijk.

Benedictus XVI krijgt een eigen, speciaal op zijn lijf en lijfgeur toegesneden parfum. De oppersamensteller van deze heilige lucht is Silvana Casoli, die, lees ik, “eerder al samenwerkte met sterren als Madonna en Sting”. Madonna, ja, natuurlijk, en Sting is verklaarbaar als je het verhaal van de soldaat die de zijde van Jezus doorboorde in herinnering roept. Jammer genoeg kan het grote publiek geen kennisnemen van de geur die om de paus heen gaat hangen (behalve natuurlijk de mensen die hem persoonlijk kennen en heel dicht bij hem mogen komen, om even te ruiken). “In tegenstelling tot de meeste parfums zal dit geurtje niet verkocht worden aan het publiek en mag het alleen gedragen worden door de paus.” Ach, een sample te hebben van die geur!