Fragment uit De vegetariër van Han Kang

Han Kang, De vegetariër, vertaald door Monique Eggermont, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.

En het beeld zou nooit bij hem opgekomen zijn als er niet toevallig een gesprek had plaatsgevonden. Als zijn vrouw hem die zondagmiddag niet had gevraagd hun zoon in bad te filmen. Als hij niet toen zij hun zoon na het afdrogen zijn onderbroek had aangetrokken verbaasd had uitgeroepen: ‘Die mongolenvlek is nog steeds groot! Wanneer verdwijnt die in vredesnaam?’ Als zij niet gedachteloos had geantwoord: ‘Nou… ik weet niet meer precies wanneer die bij mij is verdwenen. En Yeong-hye had hem op haar twintigste nog.’ Als zij toen hij daarop verbaasd ‘Twintig?’ had geroepen, niet gereageerd had met ‘Mmm… een kleintje maar, duimgroot, blauw. En als ze hem toen nog had, wie weet heeft ze hem nu nog wel.’ Precies op dat moment werd hij getroffen door het beeld van een blauwe bloem op vrouwenbillen, met blaadjes die zich openvouwden. In zijn gedachten werd het feit dat zijn schoonzus nog een mongolenvlek op haar billen had op onverklaarbare wijze gekoppeld aan het beeld van mannen en vrouwen die seks hadden, hun naakte lichamen volledig beschilderd met bloemen. Het causale verband van die twee dingen was zo helder, zo onmiskenbaar en ook zo onbegrijpelijk dat het daarna in zijn herinnering gegrift bleef.

 Ook al ontbrak het gezicht, de vrouw die hij had getekend was zonder twijfel zijn schoonzus. Nee, zij móést het zijn. Toen hij begon te tekenen had hij zich voorgesteld hoe haar naakte lichaam eruit zou zien, ten slotte zette hij een stipje als een blauw bloemblaadje midden op haar billen en hij had een erectie gekregen. Het was sinds zijn huwelijk vrijwel de eerste keer, en beslist de eerste keer sinds hij de vijfendertig was gepasseerd, dat hij zo’n intens seksueel verlangen had gevoeld, een verlangen dat bovendien een duidelijk object gold. En wie was dan die man zonder gezicht die zijn armen om haar nek geslagen had en eruitzag alsof hij haar probeerde te wurgen, die zich in haar stootte? Hij wist dat hij dat zelf was; dat het zelfs niemand anders kon zijn. Toen hij tot die conclusie kwam, trok hij een grimas.

 

Fragmenten uit De hotelier doet niet meer mee van Simon Vestdijk

‘In de Alpen komt geen fatsoenlijk man, dat zal iedereen met mij eens zijn. Zien wij af van een paar wetenschappelijke onderzoekers, een paar doldrieste veldheren, een paar handelsreizigers, tuk op Zwitserse kaas en horloges, dan is er voor de mens van onze tijd op die ongemotiveerde bodemverheffingen niets te zoeken. Ik vind ze ook niet mooi. Een schilderijtje van de Alpen is gruwelijk.’

‘‘‘Ja,’’ zei hij, waarna hij even opkeek en zijn glimlach liet spelen, bijna guitig, ‘‘als een schande wordt het Bonapartisme hier niet gevoeld, maar men kan er het vuurpeloton mee verdienen.’’’

‘(…) Men hoefde hem maar in een gang of in een kamerdeur te zien staan om te weten, dat dit een der sleutels tot zijn karakter was. De dwergenkoning met het doosje, dat duiveltjes baarde, en waar hij zijn hand ophield om niet de hoop méé te laten ontsnappen. Het hoofd scheef, op de tenen (of op die hoge hakken, die mij vroeger aan toneellaarzen hadden doen denken), de glimlach niet in de ogen, die even goed lokten en beloofden, ‘‘Let op, daar komt het, dat had je nooit gedacht, dit is het, het geluk op aarde, grijp het bij zijn staart, anders vliegt het weg, ik heb er maar beperkte zeggenschap over, let op, let op, en wees mij niet dankbaar…’’ Zo zou hij ook tegenover de Kleine Korporaal staan, wanneer die ooit zo gek was zich van Sint-Helena te laten lokken. Monsieur Trublet was zelf zo’n Kleine Korporaal, de bij- en erenaam past verbazend goed op hem: even klein, even parmantig, en koppig als niets ter wereld, en graag anderen overvallend, met het goede of met het kwade. Daarom hield ik ook van hem.’

Uit: Simon Vestdijk, De hôtelier doet niet meer mee, Nijgh & Van Ditmar, ’s Gravenhage -Rotterdam, 1968