Martinus Nijhoff: Schuitje varen, theetje drinken

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren. Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff: Schuitje varen, theetje drinken”

Elia met de raven – een boek weggooien om erger te voorkomen

Vandaag besloot ik om 35000 geschreven woorden weg te gooien. Ik ben geen Simenon of Sartre die dan ‘wel even’ een nieuw manuscript maakt. Mijn beslissing heeft iets grotere gevolgen. Er is niets meer, waar tot voor kort iets leek te zijn, of leek te kunnen ontstaan. Doorgaan met het lezen van “Elia met de raven – een boek weggooien om erger te voorkomen”

Lezen (51)

De gedichten van Martinus Nijhoff lezen, hoe doe je dat? Welke houding neem je aan ten opzichte van zijn werk? Het heeft mij altijd moeite gekost om iets van Nijhoffs gedichten te vinden, al bewonder ik ze zeer en lees ik ze al een jaar of dertig.

Dit schreef J.C. Bloem in 1935 over Martinus Nijhoff. Ik vond het citaat (uitgebreider) in het boek Dit nog, ook dit van Wiel Kusters. Blijkbaar wist J.C. zich ook niet altijd evenveel raad met zijn bewondering: Doorgaan met het lezen van “Lezen (51)”

Ongelovig katholiek (6) – Goede Vrijdag

Op de lagere school gingen we klassikaal ter kerke op Witte Donderdag en, vooral, op Goede Vrijdag. De hele school, onder leiding van het licht-bigotte schoolhoofd.

Tijdens de mis op de vrijdag was onze pastoor, Nijhoff, in staat om zijn aangeboren theaterneigingen ten volle te ontplooien. Hij riep de manier waarop Jezus naar de executieplek werd geleid op in bronzen bewoordingen. Er vielen klappen, letterlijk, althans, wij voelden hoe de karwats van die nare sadisten, die Romeinen, op ons neerkwam.

De kruisiging werd kracht bijgezet met vuistslagen op het altaar; voor elke spijker één. Je voelde hoe je vlees open spleet, botten werden versplinterd, je proefde het bloed in je mond. Of was het azijn, de vloeistof die weer andere ellendelingen Hem te drinken gaven? Het  ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ joeg de laatste geloofsijver (en, paradoxelerwijs, alle geloofstwijfel) uit ons weg. Daar, tussen twee moordenaars, hingen wij, en wij zouden worden geofferd.

Onder onze sterfplek werd om onze schamele bezittingen gedobbeld.

Als de voorhang van de tempel scheurde, waren wij, schoolkinderen, zo mak als het Lam Gods en zo kneedbaar als was. De pastoor kon met ons doen wat hij wilde – en nee, dat bedoel ik niet als een aanvulling op de onderzoeken van de Commissie Deetman. Hij kon ons, voor de duur van een Paasfeest, gelovig laten zijn. Ergens in het begin van de maandag was dat, gelukkig, weer over.

Martinus Nijhoff, van wie onze pastoor een achternaamgenoot was, publiceerde dit gedicht in de bundel Vormen. Het heet ‘De soldaat die Jezus kruisigde’.

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief -’
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’