Fragment uit: Twee zomers van Erik Orsenna

Een meanderende roman, zo wordt Twee zomers van Erik Orsenna, vertaald door Marijke Arijs, op de website van uitgeverij Vleugels genoemd. Dat klopt, en klopt niet. Ik vind de roman meer iets weg hebben van de golfslag om een eiland; het is dan ook niet toevallig, denk ik, dat het verhaal zich op een eiland in Frankrijk, of voor Frankrijk, afspeelt. Waar dat verhaal over gaat? Dat is een interessante vraag, waar ik niet helemaal antwoord op kan geven.

We maken kennis met een voormalige minnaar of lieveling van Jean Cocteau die op het eiland bezig is met de vertaling van Ada van Vladimir Nabokov. Omdat hij jaar in jaar uit de deadline niet haalt, wordt de hulp ingeroepen van alle eilandbewoners en eilandgasten die Engels spreken. We maken kennis met vaste eilandbewoners, met een mevrouw De Saint-Exupéry, met meneer Fernández, met de postbode en twee oma’s, die Marguerite en Colette heten; we volgen de periode van twee zomers, waarin het iedereen wel, of misschien toch niet, lukt om Ada vertaald te krijgen. We maken, ook, kennis met een ik-persoon en met een uit het gehate Parijs overgekomen assistent-uitgever, die het manuscript aan de vertaler(s) probeert te ontfutselen.

Het verhaal is, wil ik maar zeggen, niet zo 1, 2, 3 samen te vatten. Aan het eind weet je nog niet wat je precies gelezen hebt, waardoor je het boek gelukkig moet herlezen. De roman is er gewoon, ongeveer zoals een eiland nergens begint en nergens eindigt en toch een grens heeft. Een cirkel van twee seizoenen groot. Twee zomers is een heerlijk boek!

Oh ja. Er wordt een mooie ‘traditie’ beschreven, die iets te maken heeft met het vangen van schaaldieren én met het loslaten van allerlei hinderlijke gewoontes, het claustrofobische leven op een eiland eigen. Een letterlijke uitbraak dus. Dat is het onderwerp van het hieronder gegeven fragment:  Doorgaan met het lezen van “Fragment uit: Twee zomers van Erik Orsenna”

Fragment uit Met angst en beven

Uit: Amélie Nothomb, Met angst en beven, in: De Japanse Romans, De Bezige Bij, 2011 (eerste Nederlandse editie 2001), vertaling door Marijke Arijs.

Niet alle Japanse vrouwen zijn mooi. Maar als een Japanse mooi is, dan kunnen de anderen het wel schudden.
Mooie vrouwen zijn altijd aangrijpend, maar Japanse schoon heden zijn nog aangrijpender. Ten eerste omdat die lelieblanke teint, die zachte blik, die weergaloze neusvleugels, die welgevormde lippen en die onbegrijpelijk zachte trekken de fraaiste gezichten in de schaduw stellen.
Ten tweede omdat hun houding die schoonheid stileert en in een kunstwerk verandert dat het verstand te boven gaat.
En last but not least omdat een schoonheid die zoveel lichamelijke en geestelijke beperkingen, zoveel verplichtingen, tegenwerking, absurde verbodsbepalingen, dogma’s, dwingelandij, pesterijen, sadisme, doodverklaringen en vernederingen heeft overleefd – zo’n schoonheid dus, een wonder van heroïsme is.
Niet dat Japanse vrouwen zielenpoten zijn, wel integendeel. Van alle vrouwen ter wereld zijn ze heus niet het slechtste af. Hun macht is aanzienlijk, en ik kan het weten.
Nee, als Japanse vrouwen bewondering verdienen – en dat verdienen ze – is het omdat ze geen zelfmoord plegen. Van hun prilste jeugd af spant alles samen om hun dromen kapot te maken. Ze gieten het hen met de paplepel in: ‘Als je op je vijfentwintigste nog niet getrouwd bent, heb je een goede reden om je te schamen’, ‘als je lacht, ben je ongemanierd’, ‘als je gezicht enige emotie verraadt, ben je ordinair’, ‘als je durft te suggereren dat je ook maar één haartje op je lichaam hebt, dan ben je obsceen’, ‘als een jongen je in het openbaar op de wang zoent, ben je een snol’, ‘als je geniet van je eten, ben je een varken’, ‘als je graag slaapt, ben je een luie koe’, en ga zo maar door. Die vermaningen zouden louter anekdotisch zijn, als ze de geest niet ondermijnden.
Want wat de Japanse vrouwen aan de hand van die onzinnige dogma’s in feite wordt ingepeperd, is dat je nooit op iets leuks moet hopen. Hoop niet op plezier, want dat zou je ondergang betekenen. Hoop niet dat je verliefd wordt, want je bent de moeite niet waard: als een man van je zou houden, zou het alleen zijn om wat je lijkt, niet om wat je bent. Verwacht helemaal niets van het leven, want elk jaar zul je erop achteruitgaan. Je kunt niet eens op zoiets doodgewoons als rust hopen, want je hebt geen enkele reden om gerust te zijn.

Fragment uit Gods ingewanden van Amélie Nothomb

Uit: Amélie Nothomb, Gods ingewanden, in: De Japanse Romans, De Bezige Bij, 2011 (eerste Nederlandse editie 2001), vertaling door Marijke Arijs.

Drie jaar zijn was beslist geen onverdeeld genoegen. De Japanners hadden groot gelijk als ze stelden dat kinderen vanaf die leeftijd geen goden meer waren. Nu al was er iets verloren gegaan, dat waardevoller was dan wat dan ook en nooit meer terug zou komen: het geloof dat de wereld me eeuwig goedgezind zou blijven.

Ik had mijn ouders horen zeggen dat ik binnenkort naar de Japanse kleuterschool zou gaan: dat voorspelde niet veel goeds. Wat? De tuin verlaten? Opgaan in een menigte kinderen? Het idee!

Er was nog iets veel ergers. In de tuin hing een onrustige sfeer. De natuur had een zeker verzadigingsniveau bereikt. De bomen waren te groen en te bladerrijk, het gras groeide te weelderig, de bloemen bloeiden alsof ze zich te barsten hadden gegeten. Sinds half augustus zagen de planten er zo voldaan uit als de dag na een schranspartij. De levenskracht die tevoren duidelijk in alles aanwezig was geweest, ging langzaam over in vadsigheid.

Zonder dat ik het wist werd mij in die aanblik een van de vreselijkste wetten van het universum geopenbaard: stilstand is achteruitgang. Na de groei treedt het verval in: tussen die twee is er niets. Het hoogtij bestaat niet. Het is een illusie. Neem nu de zomer. Je hebt een lange lente, met een spectaculaire werking van levenssappen en driften: die opleving is nog niet voorbij of de neergang is al begonnen.

Vanaf half augustus krijgt de dood de overhand. Niet dat de bladeren al beginnen te verkleuren. De bomen zijn nog zo bebladerd dat je je niet kunt voorstellen dat ze binnenkort kaal zullen zijn. De planten tieren weliger dan ooit, de bloemperkjes bloeien, alles wijst op een bloeitijd. En toch is het dat niet, gewoon omdat het niet kan, omdat stabiliteit niet bestaat.

Als driejarige wist ik dat allemaal nog niet. Ik stond mijlenver af van de stervende koning die roept: ‘Wat ten einde loopt, is al geëindigd.’ Ik kon mijn gevoel van beklemming onmogelijk verwoorden, maar ik voelde wel dat de doodsstrijd was ingetreden. De natuur legde het er te dik op: dat was niet pluis.

Als ik het tegen de anderen had verteld, dan hadden ze me uitgelegd hoe de kringloop der jaargetijden in elkaar zat. Als je drie bent, weet je niets meer van het jaar ervoor, ben je nog niet tot de constatering gekomen dat alles altijd terugkomt en is de komst van een nieuw seizoen een onomkeerbare ramp.

Als je twee bent, zie je de seizoenwisselingen niet en kunnen ze je gestolen worden. Op je vierde zie je ze wel, maar vind je ze gewoon en kun je ze relativeren, omdat je nog herinneringen hebt aan het jaar daarvoor. Op je derde ben je doodongerust: je ziet alles, maar begrijpt er geen snars van. Je kunt geen beroep doen op enige mentale jurisprudentie om je gerust te stellen. Als je drie bent, komt het ook niet bij je op om de anderen om uitleg te vragen: je bent er niet noodzakelijk van overtuigd dat volwassenen meer ervaring hebben – en misschien heb je geen ongelijk.