Octavie Wolters en Rob Kamphues

Vorige week las ik twee romans: Voorland van Octavie Wolters en Hoor je me van Rob Kamphues, een van de vele Bekende Nederlanders die door het schrijfvirus zijn aangetast. De uitgever van Kamphues noemt zijn roman ‘een psychologische roman, geschreven met een vaart en spanning die de lezer tot de laatste bladzijde niet meer loslaat.’ Dit is rijkelijk overdreven. De psychologie die de auteur bedrijft is van de koude grond, en de spanning is net zo groot als in Midsomer Murders. Er gebeurt, kortom, bijna niks in Hoor je me, al wordt er wel heel wat in het boek overhoop gehaald, omdat de auteur zich gedraagt als een jonge, overenthousiaste hond.
Doorgaan met het lezen van “Octavie Wolters en Rob Kamphues”

Lezen (35)

In 1986 bezocht ik het graf van Marcel Proust. Ik was niet de eerste en ik was niet de laatste, maar toch vond ik het een plechtig moment. Van Proust heb ik niet heel veel gelezen. Bij mijn bezoek 26 jaar geleden nog maar een paar delen van zijn romancyclus en ook nu heb ik mijn Proust nog lang niet ‘uit’.

Toch is Proust, ook voor wie zijn boeken niet leest, van belang. Hij ís ‘de schrijver’, de exemplarische figuur die zich afzondert van de wereld (daarbij geholpen door een familievermogen, maar dat is in de mythe een detail) en tot aan zijn vroege dood werkt aan een meesterwerk in meerdere delen.

Zijn werk is modern, zijn leven en dood staan ferm in de Romantiek. Dat maakt Proust tot een ideale scharnierfiguur, iemand die altijd overal kan opdraven als voorbeeldig schrijver, iemand uit de óúde én de nieuwe tijd. Bovendien schreef hij over zichzelf, over zijn jeugd, en dat lezen hedendaagse literatuurliefhebbers graag.

Ook al wordt Proust nauwelijks gelezen, toch heeft zijn werk alles in zich om te overleven. Er wordt naar verwezen. Door wetenschappers en essayisten. Schrijft iemand een aantal boeken over zijn jeugd: in de kritiek valt de naam van Proust. Hij is zelfs de bezitter van een bijvoeglijk naamwoord: Proustiaans.

Zijn oeuvre is een planetoïde die zich, door velen ongezien, in het heelal bevindt. Zijn faam is het touwtje waarmee hij aan deze tijd vastzit. Vergelijkingen die mank gaan, maar ik heb ze vanochtend bedacht en kan er geen afstand van doen.

Maarten ’t Hart schrijft in zijn boek De som van misverstanden (een Proust-citaat overigens):

De reden waarom zoveel mensen met zo duidelijk ergerniswekkende bewondering over Poust spreken is, denk ik, gelegen in het feit dat diezelfde bewonderaars ook een fase hebben doorgemaakt waarin zij Proust niet bewonderden maar vervelend vonden. En soms denk ik wel eens dat bepaalde bewonderaars nog steeds in die fase verkeren maar dat niet willen toegeven; ze verheerlijken Proust maar het lijkt wel of ze nooit verder gekomen zijn dan Du coté de chez Swann want ze schrijven slechts over de befaamde madeleine en over het in slaap vallen van Proust.

Uiteraard heeft ‘T Hart ook een remedie om tot Proust te geraken, om de juiste staat van bewondering te bereiken:

Als men maar koppig volhoudt en daarbij liefst ook nog een beetje ziek is, zodat rust gedurende enige tijd is gegarandeerd, wordt men langzaam door dit proza gewiegd, nee, niet in slaap, maar in een stemming waarbij men het gevoel heeft dat er nooit iets geschreven is dat de kwaliteit en de diepgang ervan evenaart.

Proust lezen. Zou dat niet een fijne tijdspassering zijn, tot aan mijn pensioen? Wie weet, wie weet…