Er is alles in de wereld, en ook Lucebert

Stel je voor: je bent de dichter Lucebert en moet aan politieke windvanen als Simon Vinkenoog en Remco Campert uitleggen dat je de Joden niet zo lief vindt. In de jaren vijftig, kort na de Tweede Wereldoorlog – tijdens welke je vrijwillig in arbeidsdienst was, en brieven schreef die Nietzscheaans én antisemitisch van toon waren. Wat zou jij doen? Ik zou mijn mond houden, tot en met mijn dood, en wachten op de biografie van Wim Hazeu. Niet alleen om het behoud van mijn carrière, maar ook om niet in zinloze discussies verzeild te raken met mensen die geen mening hebben en alleen van richting veranderen als de maatschappelijke wind dat doet. Doorgaan met het lezen van “Er is alles in de wereld, en ook Lucebert”

Ik ben, denk ik, gelukkig

Op zaterdag staat de school tegenover leeg. Het oranje gebouw heeft plotseling geen functie. Het beeld van Jaroslav Roná, in het park met de kleine speelplaats, staat helemaal alleen. Op de trapvormige sokkel rennen geen kinderen, omhoog, omlaag; de mus pikt in het luchtledige en wacht op de maandag, als ze er weer zijn, als ze hem weer zien staan. Ik kan me bijna niet indenken wat hij voelde tijdens de zes vakantieweken. Een dikke vrouw met een jurk aan die ze in betere dagen kocht, duwt de schommel waarop haar dochter of kleindochter zit. Ze kijkt om zich heen, voor zich, achter zich, maar niet naar haar dochter of kleindochter, die volgens mij bijna of helemaal debiel is. Ik groet haar. Ze reageert niet en duwt, duwt, duwt. In de Albert zoek ik ongeveer een half uur naar paneermeel. Ik weet het juiste woord ervoor niet, – en als ik het eindelijk durf te vragen, via Google Translate, blijk ik er al een keer of twintig langsgelopen te zijn. Hier zit paneermeel in zakjes, niet in pakjes. Een vrouw bij het diepvriesvak laadt dertig pizza’s in haar kar. Ik heb ze geteld. Ze kijkt in mijn mandje, de bloemkool, broodjes, een halve kilo gehakt, paneermeel dus. Ze kijkt nog eens, nu naar mij, en gooit de deur van het diepvriesvak daarna heel hard dicht. Ik groet haar. Ze reageert niet en duwt haar kar richting een van de dertig kassa’s. Ik voel me in een hypermarket altijd zo nietig, als een broodkruimel op het rok van het universum. Buiten, in het oorverdovende en toch herfstachtige zonlicht, loop ik eerst verkeerd en dan weer goed. Terwijl het zweet me over de rug loopt, ben ik, ik ben… kom, ik kan niet op de term komen. Ik ben, denk ik, gelukkig. Straks ga ik gehaktballen maken. Daarvoor had ik strouhanka nodig. Van het Albert-huismerk Basic. De tekst op het pak is óók in het Nederlands. Zo is, weet ik plotseling, mijn geluk: broos en kruimelig en basic: ‘niet meer alleen het kwade /de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig / maar ook het goede / de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte / morrelen’.

Niet alle dichters blijven levend – bij de sterfdag van J.C. Bloem

Foto: Wikipedia
Foto: Wikipedia

Vandaag is de sterfdag van J.C. Bloem. Op de website Literatuurmuseum staat een (algemeen, erg hap-snap) artikel van Dick Wensink over de dichter. Alle cliché’s worden nog eens opgekookt (‘Pas betrekkelijk laat in zijn carrière kreeg het werk van Bloem bekendheid bij een breder publiek’): De slordig levende, aan walging lijdende, niet erg productieve maar soms wel geniale dichter, altijd maar tobbend en puffend en nu tot de klassieken behorend. En oh ja, hij flirtte wat met het fascisme, maar dat is in zijn geval blijkbaar niet zo erg. Bloems seksuele voorkeur voor jongens blijft verder buiten beschouwing – we zijn hier namelijk op een museale website en die hoeft het publiek niet alles aan de nieuwsgierige neus te hangen. Doorgaan met het lezen van “Niet alle dichters blijven levend – bij de sterfdag van J.C. Bloem”