Lezen (59)

Op 5 mei is in de Utrechtse buurt waar ik woon, Lombok, een vrijmarkt. Deze vorm van vuilnisuitruil roept een heel basale economie in het leven, voor één dag. De buurman verkoopt een plantenbak aan de overbuurman, die een doos vol schroeven terug weet te plaatsen. Allebei zijn ze twee euro rijker én armer. De som aan het eind van de dag komt uit op 0.

Het is boeiend om te zien hoe mensen voorbijtrekken, met hun net verworven schemerlampen, kinderbedjes, draaitafels en langspeelplaten. Tassen vol kleding worden, alsof het kostbare lading betreft, de wijk uit gekruid. Mensen raken bijna slaags om de computer (nooit mee gewerkt, altijd bij een oud vrouwtje gestaan, hoogstens een keer mee gegamed door een neefje) van 120 euro. Het naambordje van Dell valt er bijna vanaf, onder zoveel vocaal geweld. Doorgaan met het lezen van “Lezen (59)”

Lezen (58)

Het gebeurt me niet vaak dat ik hardop moet lachen om een gedicht. Gisteren, op Koninginnedag, las ik:

Clericum

Eerwaarde Heer Cardinael bewaart zijn sperma
in een glazen bokaal. Elke zondag vóór de mis
smeert hij een petieterig kwakje in zijn haar.

Voor haar, de Madonna met de omhaalschaal.

Hij die worstelt met geloften en verboden
klampt zich vast aan devotie en symbolen
de levenslang vanzelfsprekende plicht.

Spuit des avonds in haar engelengezicht. Doorgaan met het lezen van “Lezen (58)”

Lezen (57)

Soms word ik wel eens opgebeld door Peter Drehmanns. Het gesprek gaat meestal over poëziegerelateerde zaken. Drehmanns vindt dat ik altijd somber klink, dat de manier waarop ik mijn naam zeg na het aannemen van het gesprek het ergste doet vermoeden over mijn humeur en/of geestelijke welzijn.

Lodewijk van Deyssel schreef de gesprekken die hij wilde láten voeren uit. Een bediende richtte vervolgens, strak geregisseerd, het woord tot bijvoorbeeld een restauranthouder (om een diner samen te stellen), een kruidenier of een speelgoedwinkelier. De heer Alberdingk Thijm laat vragen… telephoonbriefjes, onder die titel verschenen deze briefjes in 1976. Aan de vergetelheid ontrukt, uiteraard, door Harry G.M. Prick. Doorgaan met het lezen van “Lezen (57)”

Lezen (56)

Gisteren las ik in Vianen voor, als plaatsvervanger van Juliën Holtrigter. Die was plotseling verhinderd en ik was gevraagd om zijn onderdeel van een huiskamerconcert te over te nemen. Het is heel raar, de gedichten van iemand anders voorlezen, te doen alsof je het literaire gedeelte van die persoon tijdelijk bent, je in te voegen in een programma waarvoor je niet was gevraagd.

Omdat ik weinig voorbereidingstijd had, was de tekst toen ik hem voorlas nog betrekkelijk nieuw voor me. Uiteraard heb ik de meeste gedichten wel eens gelezen, want ik ken zijn werk goed, of redelijk goed, maar al voorlezend kom je dichter bij de tekst uit dan tijdens een gewone lezing. Al je zintuigen staan op scherp. Ineens word je dan, als bij verrassing, door een tekst of een deel van een tekst getroffen. Doorgaan met het lezen van “Lezen (56)”

Lezen (55)

De gedichten van Marleen de Crée zijn vaak gebouwd als opsommingen, net als die van Folgore da San Gimignano, P.A. de Génestet, Gerrit Komrij  en Menno Wigman (om maar een paar namen te noemen).

Een eerbiedwaardige methode, die de dichter veel speelruimte geeft, maar ook een valkuil is voor dichters die het métier niet al te goed beheersen. Een opsomming kán vervelend worden, en vrij snel ook, in de handen van iemand die van zichzelf niet veel te zeggen heeft. Ik citeer: Doorgaan met het lezen van “Lezen (55)”

Lezen (54)

Via via via kwam ik bij dit jolige artikel terecht. Dirty Little Reading Secrets, het blijkt bij nadere beschouwing allemaal mee te vallen. Ik bedoel, dat kan toch veel en veel erger. Nee, ik ga die ergere lijst niet geven.

Hoewel de verleiding groot is om Hele Erge lijstjes te maken. Van ‘Joodse boeken die ik nooit las’ (Het bittere kruidHet achterhuis) via ‘Limburgse boeken die ik nooit las’ (Het VlaaienboekDe bonte storm) tot en met ‘Boeken van negers die ik niet kon uitlezen’ (daar weet ik nog geen voorbeeld van). Doorgaan met het lezen van “Lezen (54)”

Lezen (53)

Vorig jaar kocht ik in Weimar twee dichtbundels van Reiner Kunze: auf eigene hoffnung en eines jeden einziges leben. Ik kende de dichter alleen van naam, maar omdat de boekjes €6,90 per stuk kostten, dacht ik: ‘God zegene de greep.’

Nog steeds weet ik niet wat ik van Kunze’s werk vind. Nou ja, je hóéft niets van het werk van een dichter te vinden, dat is ook maar zo een idee dat mensen soms hebben, maar het is wel prettig als je op den duur zo ongeveer weet wat het werk wil, of kan doen. Doorgaan met het lezen van “Lezen (53)”

Lezen (52)

Mijn middelbare school had een vrij goede bibliotheek. Met een bibliotheek bedoel ik nog echt: een ruimte waarin meerdere stellingkasten, gevuld met boeken en tijdschriften, stonden opgesteld. De mediatheek was als fenomeen nog onbekend. Eppo van Nispen begon zich net af te wenden van het boek. Internet bestond niet. Ik heb het over de periode tussen 1977 en 1983.

De bibliothecaresse heette mevrouw Kimwel. Een lieve vrouw, aan wie ik vrij veel te danken heb. ‘k Heb menig uur onder de welwillende supervisie van mevrouw Kimwel gesleten en genoten. Je kon er op je gemak de krant lezen, in die ruimte terzijde van de centrale hal. Behalve De Limburger stonden ook de Volkskrant én De Telegraaf in het eclectische rek van Kimwel. Doorgaan met het lezen van “Lezen (52)”

Lezen (51)

De gedichten van Martinus Nijhoff lezen, hoe doe je dat? Welke houding neem je aan ten opzichte van zijn werk? Het heeft mij altijd moeite gekost om iets van Nijhoffs gedichten te vinden, al bewonder ik ze zeer en lees ik ze al een jaar of dertig.

Dit schreef J.C. Bloem in 1935 over Martinus Nijhoff. Ik vond het citaat (uitgebreider) in het boek Dit nog, ook dit van Wiel Kusters. Blijkbaar wist J.C. zich ook niet altijd evenveel raad met zijn bewondering: Doorgaan met het lezen van “Lezen (51)”

Lezen (50)

Een gewone donderdagavond, ergens in Amsterdam. De wijk heet Zuid en ik verbaas me over de grootte van de huizen. Dat doe ik elke keer als ik in Zuid loop. Hier een huis te bezitten, een huis met meerdere verdiepingen en een grote tuin, op het zuiden, uiteraard, en dan door je huis lopen en denken: ‘Dit is mijn huis.’

Maar ja, wat dan, dan ga je je natuurlijk weer druk maken over hoe je dat huis moet onderhouden, en of je de hypotheek wel kunt blijven betalen, en dan wordt het vervolgens de gewoonste zaak van de wereld dat je in dat huis woont en dan wil je verhuizen, weg, naar een ander huis.

Ik kijk schaamteloos bij de bewoners van deze kapitale panden naar binnen. Dat kan gemakkelijk, de meeste laten de gordijnen geopend. Ineens krijg ik een schok. Ik blijf doodstil staan en kijk nog een keer, om me ervan te vergewissen dat ik echt heb gezien wat ik dacht te zien. En inderdaad, ik heb het echt gezien. Doorgaan met het lezen van “Lezen (50)”