Dirk Ayelt Kooiman stond altijd dicht bij de deur

Toen ik in de jaren negentig Amsterdam woonde, kwam Dirk Ayelt Kooiman altijd in twee kroegen bij mij in de buurt: Gambrinus en De Duvel. Hij was er bijna alle dagen, staand aan de hoek van de bar, dicht bij de deur. Alsof hij elk moment wilde kunnen vertrekken. Nienke van De Duvel, hopelijk is ze nog steeds goed gezond en heeft haar blozende gestalte alle stormen doorstaan, wist dat hij een hele route had, — en overal dronk hij maar één glas bier. Hij was altijd alleen. Als hij door iemand aangesproken werd, begaf hij zich – heel kort – in een gesprek. Daarbij keek hij alsof hij door een onzichtbare beul met een gloeiende tang werd gemarteld.  Doorgaan met het lezen van “Dirk Ayelt Kooiman stond altijd dicht bij de deur”

Het wachten is op een invitatie van Aad Meinderts/Stichting P.C. Hooft

Heel benieuwd ben ik, naar de open en eerlijke besluitvorming rond de P.C. Hooft-prijzen. De secretaris, Aad Meinderts, en de stichting die de prijs organiseert kunnen dan ook geen bezwaar hebben als ik eens een kijkje in de keuken kom nemen. Toch? De twitterdiscussie over de jaarlijks toegekende oeuvreprijs en Meinderts’ reacties staan hier.

Lezen: Govert Derix

‘Schrijvers zijn gevoelsarme perverten, – ze leven op maar één niveau van het menselijke bewustzijn. Dat, waarop ze zich onmiddellijk en alleen maar afvragen of dat wat ze meemaken bruikbaar is voor de roman die ze onder handen hebben.’ Aan dit citaat van Jeroen Brouwers (uit Het is niks) moest ik denken toen ik de nieuwe roman van Govert Derix las, Mensheid is een brief voor jou. Eigenlijk dacht ik: Had Govert Derix zich in dit boek maar meer een pervert betoond, en had hij de kennis die hij in zijn leven heeft verzameld, zonder haar goed te verteren, maar even terzijde geschoven. Doorgaan met het lezen van “Lezen: Govert Derix”

Lezen (37)

Vandaag schrijft Theodoor Holman in zijn Parool-column: ‘Helaas wordt tegenwoordig dan ook minder over literatuur dan over film gesproken.’ Ik weet niet of dat in het algemeen zo is, volgens mij kom ik te weinig buiten om dat te kunnen beoordelen.

De eerste jaren dat ik in Nijmegen woonde, tussen 1983 en 1987, sprak ik zo ongeveer dagelijks met mensen over boeken. Niet alléén over boeken, zo erg was het nu ook weer niet, maar wel veel. Bijvoorbeeld over het nieuwste boek van Jeroen Brouwers, in die jaren een held, althans, van veel mensen met wie ik omging (en van mezelf).

Tegenwoordig vind ik diepzinnigheid iets voor mensen die niets beters te doen hebben. In die tijd zag ik dat, denk ik, anders. Ik geloofde in de grote thematiek, in het diepe gevoel en in het bruisende schrijversleven. Dat geloof is verdwenen en er is niets voor in de plaats gekomen. Gelukkig maar.

Theodoor Holman gaat natuurlijk veel om met mensen die midden in het volle leven staan. Mensen die naar de film gaan en weinig tijd hebben voor het lezen van een boek. Wie de hele column leest, ziet ook wat precies het fundament is van zijn teleurstelling: een boek dat hij geschreven heeft wordt door de papiermolen gehaald.

Een beetje schrijver trekt zich daar natuurlijk niks van aan. Voor een gesprek over literatuur heb je maar één exemplaar nodig van een boek, een exemplaar dat door minimaal twee mensen kan worden gelezen. Oplagecijfers spelen maar een marginale rol (wat niet wegneemt dat het boek wel moet zijn gedrukt, of in digitale vorm opgeslagen, of on demand te printen).

Theodoor Holman is teleurgesteld in de letteren. Dat is onvermijdelijk, na een leven in de letteren. Het valt niet mee om jaren achter elkaar plezier te hebben in het spreken over literatuur. Dat hou je alleen vol als je een doorzetter bent. Of iemand met een plaat voor zijn kop ter grootte van het verzameld werk van Simenon, in de Pléiade-editie.

Maurice Gilliams schrijft in zijn gedicht ‘Elegie’:

Zondag op het land.
Roken en door ’t venster staren :
linden voor de gevel,
trage knapen gaan voorbij.

Zomeravond op de velden
en de verre treinen kan men horen.
Grachten die naar heimwee smaken,
vergezichten, klokken die mij plagen
komen ’t hart zijn honig roven.
En de dorpen die ik door wil trekken,
waar de bruiden wonen,
waar de boten varen op de stromen,
roepen mij in ‘t dalend donker :
in het koren staat een huis.

Maar ik toef hier voor het venster
van een boerenkamer
waar een stoel de stilte tekent
en de bloemen bruin verwelken
in een glas groen water.

De wereld lonkt, maar de ware lezer (en literatuurliefhebber en auteur) blijft thuis. Bij de verwelkende bloemen.