Over poëzie, en over Arjen Duinker

J.C. Bloem debuteerde in 1921, maar werd pas een jaar of 35 later een nationale poëzieknuffelbeer, toen de ooievaarpocket Doorschenen wolkenranden (een titel die aan een huidziekte doet denken) verscheen. Veel gedichten voor weinig geld, het werkte. Daarna was er geen houden meer aan. J.C. Bloem werd een dichter waar een ‘som van misverstanden’ omheen ontstond. Dát was nog eens een dichter. Een lijdende, lichamelijk grotendeels uitgeschakelde man die in vijf of zes klassiekers het ‘universele levensgevoel’ vastlegde. J.C. Bloem wás poëzie en poëzie was vanaf dat moment J.C. Bloem. Ik weet niet of hij nu nog veel wordt gelezen, maar ik weet wel dat hij veel is gelezen — en zijn invloed is tot op de dag van vandaag terug te vinden, in het werk van Menno Wigman bijvoorbeeld (deels ten positieve), of in het werk van Pieter Boskma (weerkaatst door een lachspiegel). Doorgaan met het lezen van “Over poëzie, en over Arjen Duinker”

Mieke van Zonneveld en het sonnet

Foto: Keke Keukelaar

Een klassiek gedicht willen schrijven, dat wil zeggen: een gedicht dat zich baseert op lang geleden vastgelegde regels en een vorm die ononderhandelbaar is, lijkt een hachelijke kwestie. De inhoud gaat al snel trekken, alsof die zich plooit naar de ouderwetsheid van de behuizing. De dichter die zich een dergelijke taak oplegt, lijkt op een componist die een sonate wil schrijven naar, bijvoorbeeld, model van Mozart. Waar is de dichter, bij zo veel geschiedenis, zelf? Doorgaan met het lezen van “Mieke van Zonneveld en het sonnet”