In de metro (44): De metrogangen vullen zich met duisternis

Ik zit in de metro en denk aan mijn vader. Hij is dood. Eigenlijk is hij al dood sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis van Weert op 10 juli 2019. Toch heeft hij vervolgens nog tot 14 juli geleefd. In zijn eigen huis. Doodgaan is moeilijk én gemakkelijk: eerst bereid je je eindeloos voor – een voorbereiding die met angst én een opgeschroefde opgewektheid is gevuld – en dan ga je helemaal alleen dood. Na zijn dood duurde het even voordat zijn familie zeker wist dat hij er niet meer was. We hadden nog nooit iemand dood zien gaan, hoe herken je een gestorven persoon? Zo iemand doet heel weinig.

Tegenover me zit een vrouw in een witte jurk. Het is vandaag 35 graden. De jurk biedt aan de bovenkant inkijk. Ik kijk, en de vrouw draait haar bovenlichaam zo dat ik meer kan zien. We spreken niet. Ze controleert af en toe of ik haar wel bekijk, haalt haar hand door het haar, verschuift een been, – het is een filmscène, straks doen we de deur open van een appartement, struikelen naar binnen, trekken de kleren van elkaars lijf. De vrouw is onderdanig en dominant. Angst en tot barsheid omgevormde gerichtheid op de ander wisselen elkaar af . Ze draagt een enkelband vol bedeltjes, wat niet kan en toch klopt.

Jan Kostwinder had altijd uitgesproken ideeën over poëzie. Het woord poëzie kon hij uitspreken als geen ander, fonetisch werd het zoiets als: po-wèj-sie, dit alles met een Amsterdams accent gebracht. Over die ideeën kon hij eindeloos lang vertellen. Hij begon met een exposé over hoe het niet moest, polemiek was zijn tweede natuur, om daarna over te schakelen op hoe het wel moest. Bewondering was voor hem een vorm van polemiek.

Net als sommige schilders maakte hij verschillende periodes door. Eind jaren tachtig was dat die van de ‘helderheid’. Poëzie moest ‘helder’ zijn, ook voor de gewone man te begrijpen. De dichter moest schrijven wat hij bedoelde, niet wat hij voor poëtisch hield. In zijn debuut Binnensmonds staan de meeste gedichten uit die periode. Sinds ik het boek voor het eerst las, ben ik vooral onder de indruk van:

Tocht

Ik luisterde met mijn handen
aan de spijlen van de box:
u taalde al naar mij.

De metrogangen vullen zich met duisternis
en kraaien. Als een impuls stroom ik door
de zenuwbanen van de stad, ik ben op zoek
naar haar namen, want iemand, niemand
is begraven en ongedoofd aanwezig
in mijn hoofd.

Ik kijk en tuur en gluur in alle gaten
zonder licht, ik ben in alle staten,
steden al geweest en stamel
als een kind dat blind van angst is
en weet dat het niet zal worden geloofd:
mijn vader is dood, mijn vader is dood.

Ik zie nu hoe Kostwinder probeert het geheel dichterlijk te maken, hoe die cursieve zinnen in strofe 1 (niet) werken, hoe hij binnen-rijmt en allitereert. Toch ben ik 31 jaar na het verschijnen van de bundel net zo overtuigd als toen.

De slotzin van het gedicht, met de dubbele uitroep, heeft een aparte ontstaansgeschiedenis. Schrijver René Huigen vroeg aan Kostwinder, na lezing van diens vroege werk, wat hij er nu eigenlijk mee wilde. Jan heeft toen iets gezegd als: Ik wil vertellen dat mijn vader heel vroeg in mijn leven is gestorven. Waarop Huigen antwoordde: ‘Schrijf dát dan op.’ En zo geschiedde. Later zou Huigen in het blad Tzara een ultrakorte recensie over Binnensmonds schrijven: ‘Slecht proza.’ Jan heeft hem zijn hele verdere leven, dat tot 2001 duurde, niet vergeven.

We stappen uit, de vrouw en ik. Bijna naast elkaar lopen we naar de trap. Ze ruikt lekker: bloemen en een beetje zweet. Ik zie haar lichaam en ben me, ondertussen, volledig bewust van het mijne. We leven. Ik leef. Ik wel. We zetten tegelijk een voet op de eerste tree van de trap. We kijken allebei of de ander wel in de buurt blijft.

En dat jonge vrouwen overal de ramen wasten

In de Knipscheer meldt: In de hommagebundel voor Rogi Wieg In de kring van menselijke warmte dragen 100 dichters uit het Nederlandse taalgebied een gedicht op aan Rogi Wieg. Te laat voor de hommagebundel attendeerde Albert Hagenaars de uitgeverij op het feit dat ook Jan Kostwinder (1960-2001) een gedicht schreef voor Rogi Wieg. Het zou in de jaren negentig gepubliceerd zijn in het literaire tijdschrift Adem en werd in 2003 door samenstellers Hein Aalders en Chrétien Breukers opgenomen in Kostwinders verzamelde gedichten Alles is er nog. Lees verder op de website van In de Knipscheer >> Kostwinders prachtige gedicht staat hier.

Jan Kostwinder, nagelaten werk

Onlangs verscheen Het bezinksel van de waarheid, een boek met nagelaten ‘polemieken, portretten en brieven’ van Jan Kostwinder. Het is een uitgave van Reservaat, de uitgeverij van Nico Keuning. Inleiders Hein Aalders en ikzelf waren te gast bij De Avonden. Die uitzending is hier te beluisterenJoep van Ruiten schreef een recensie op het boek, die is hier te lezen. Een citaat uit het boek:

Ik geloof achteraf dat de ontwikkeling van mijn schrijverschap ernstig vertraagd is doordat ik me niet met de wereld wilde bezighouden. Ik denk nu dat schrijven betekent: de verhouding tussen jezelf en de anderen verkennen. En ik geloof – inderdaad – dat dat op een heldere en eenvoudige manier moet gebeuren. Het is namelijk helemaal niet moeilijk om duister over simpele dingen te schrijven: het is daarentegen wel erg moeilijk om eenvoudig en helder over ingewikkelde zaken te schrijven zonder te simplificeren. Deze opvatting, dit adagium, is voor mij eigenlijk zo vanzelfsprekend, dat ik nog steeds niet begrijp dat anderen er kwaad over worden. Zoals ik ook niet begrijp dat iemand die niet in staat is tot het schrijven van een correcte en begrijpelijke zin (en ik ken zulke mensen, want ik ben redacteur van een literair tijdschrift geweest) serieus wordt genomen door uitgevers, door de kritiek, door de media.

Lezen (34)

Zo begint een artikel van Kees Fens (Ons Erfdeel 46/3): 

In oktober 1989 hield prof. dr. A.L. Sötemann op een kleine conferentie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een toespraak over de dichter J.C. Bloem. Hij las nogal wat gedichten of fragmenten voor en een enkele keer kon hij daarbij zijn emoties moeilijk beheersen, zijn stem hield de regel niet helemaal op de lijn. Dat was aangrijpend. Hij had vele jaren wetenschappelijk werken met de poëzie van Bloem achter zich, had de definitieve uitgave van diens werk gemaakt, uitstekende essays over de gedichten geschreven. Nu bleek, voor wie het nog niet wisten, hoezeer de studie ook door de persoonlijke beleving werd gedreven. 

Ik heb niet vaak iemand zien huilen om een gedicht dat hij of zij voorlas. Ergens eind jaren tachtig las Johan Polak gedichten van J.H. Leopold voor tijdens een Studium Generale van dezelfde Katholieke Universiteit Nijmegen, en op een gegeven moment brak hij. Hij weende.

Ooit zag ik een als voordrager debuterende dichter in tranen uitbarsten. Op het podium. Maar dat is niet hetzelfde: de emoties werden hem te veel, hij werd door zijn zenuwen gesloopt, niet door de tekst die hij zou gaan voordragen.

Een leraar geschiedenis aan onze middelbare school moest altijd huilen als hij de aanhef van een lang gedicht van Ida Gerhardt declameerde: ‘Twee uur: de klokken antwoordden elkaar’. Waarom hij nu net dát begin van dát gedicht aanhief tijdens de lessen? Ik ben het vergeten.

Zelf ben ik meer iemand die jankt bij slechte films, over dode hondjes en kinderen die zielig alleen achter blijven. Om de laatste aflevering van Swiebertje heb ik hete tranen geweend. Ik was tien, zeg ik er ter verdediging bij, en mijn broertje begon. Gedichten werken over het algemeen niet op mijn traanklieren.

Op één uitzondering na, ‘Afscheidslied’ van Jan Kostwinder. Ja, het speelt mee dat ik de auteur bij leven heb gekend. Zeker, ik zie  hem voor me, als ik het gedicht lees. Maar toch zit er iets in, of tussen, of in de buurt van de woorden dat mij elke keer sloopt, hoe vaak ik het gedicht ook (voor)lees.

Afscheidslied

Alles is er nog, de kraaien kraaiend
in de hoge bomen, de melkwitte mistflarden
en het geloei van de vuurtoren,
en ook de koeien met hun onnozele ogen
en de vossen in de berm of slapend in hun holen,
en ook de lange lange weg, de slingerweg
door weilanden en langs de kliffen, om uit te komen
bij witte gebouwen en drinkgelag, bij de mannen
in hun verfbespatte overalls en bij Ellyned
die haar dijen toont onder gorgelend gelach
– flarden sigarettenrook tot onder de dakbalken;
vers getapte glazen – en ook de portierswoning
bij het kasteel waar jij ter wereld kwam, de ramen
waardoor je de zee en de tinnen kon zien,
en ook het rottend ooft in de boomgaard, 
de kassen met hun ingewaaide ruiten 
en de sneeuw die dit alles tot poëzie maakte

– alleen ik ben er niet meer,
niet meer dan een trilling in de lucht
van een opgeheven hand, niet meer dan de stank
van mijn ongewassen kleren bij het afscheid,
niet meer dan een klapzoen, een al vervagende 
herinnering aan iemand die hier heeft geleefd, 
op deze door god gemaakte en ook weer 
in de steek gelaten plek:

je draait je om en kijk ik ben verdwenen ik ben er al niet meer.

© (erven) Jan Kostwinder

Lezen (13)

Als iemand het heeft verdiend om onder nummer 13 op te duiken in deze rubriek, dan is het Jan Kostwinder wel. De schrijver en dichter had een bijzondere verhouding tot het ongeluk. Dat wil zeggen: hij trok het aan, zoals een magneet ijzervijlsel. Maar hij stormde er ook op af, zoals een deelnemer aan de nieuwjaarsduik op de Noordzee. Zonder om te kijken, in de wetenschap dat het koud zal worden.

Jan. Geprezen zij zijn naam, maar jezusmarie, wat een lastpak was hij soms. Voor zichzelf, voor zijn omgeving, voor alles en iedereen. Jan was niet het type dat rustig in een hoekje ging zitten wachten tot iemand zich aan hem begon te ergeren. Hij lokte die ergernis bij voorkeur al met vooruitwerkende kracht uit. Dan was dat maar alvast gebeurd en kon hij zich de rest van de tijd, die hij anders misschien in ledigheid had doorgebracht, vastbijten in een grimmige, uitzichtloze, heerlijke polemiek. Want waar voor de een het ‘mijn spelen is leren’ opgaat, daar had Jan als adagium ‘mijn schrijven is strijden’.

Ik was oprecht op Jan, zowel op de persoon als op zijn werk. Van dat werk is, denk ik, het proza net een (flinke) slag geslaagder dan de poëzie, al heeft hij mooie gedichten geschreven. Albert Hagenaars publiceerde vandaag een beschouwing over Jans verzamelde gedichten op zijn weblog, daarin zit ook enige ambivalentie jegens het poëtische oeuvre.

Jans verhalenbundel en zijn roman zijn helaas “uitverkocht”. Een herdruk ligt, de huidige markt overziend, niet voor de hand. Misschien zou een digitale uitgave wel wat zijn. Daarin kunnen dan ook de nooit verschenen brieven eventueel worden verwerkt. Er ligt nog een mooie taak voor iemand, om een boek te maken, of een website, de Complete Kostwinder.

Het is geen gemakkelijk werk, je bezig houden met Kostwinder. Daar kan ik uit eigen ervaring van getuigen. Toen Hein Aalders en ik het verzamelde dichtwerk samenstelden, werden we allebei nogal eens, tsja, droevig. Omdat Kostwinder het hele leven zo genadeloos uit de bocht had laten vliegen. Zoveel talent, en er dan zo weinig mee (kunnen) doen. De schaduw van een niet, of net niet ingeloste belofte lag donker over onze werkzaamheden heen.

Jan Kostwinder was niet voor het geluk geboren, zelfs niet voor postuum (literair) geluk. Hier zou ik een passage moeten inlassen over die ellendige rechtvaardigheid – die niet opduikt als je er het meest behoefte aan hebt. Maar ja. Waarom?