Ongelovig katholiek (6) – Goede Vrijdag

Op de lagere school gingen we klassikaal ter kerke op Witte Donderdag en, vooral, op Goede Vrijdag. De hele school, onder leiding van het licht-bigotte schoolhoofd.

Tijdens de mis op de vrijdag was onze pastoor, Nijhoff, in staat om zijn aangeboren theaterneigingen ten volle te ontplooien. Hij riep de manier waarop Jezus naar de executieplek werd geleid op in bronzen bewoordingen. Er vielen klappen, letterlijk, althans, wij voelden hoe de karwats van die nare sadisten, die Romeinen, op ons neerkwam.

De kruisiging werd kracht bijgezet met vuistslagen op het altaar; voor elke spijker één. Je voelde hoe je vlees open spleet, botten werden versplinterd, je proefde het bloed in je mond. Of was het azijn, de vloeistof die weer andere ellendelingen Hem te drinken gaven? Het  ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ joeg de laatste geloofsijver (en, paradoxalerwijs, alle geloofstwijfel) uit ons weg. Daar, tussen twee moordenaars, hingen wij, en wij zouden worden geofferd.

Onder onze sterfplek werd om onze schamele bezittingen gedobbeld.

Als de voorhang van de tempel scheurde, waren wij, schoolkinderen, zo mak als het Lam Gods en zo kneedbaar als was. De pastoor kon met ons doen wat hij wilde – en nee, dat bedoel ik niet als een aanvulling op de onderzoeken van de Commissie Deetman. Hij kon ons, voor de duur van een Paasfeest, gelovig laten zijn. Ergens in het begin van de maandag was dat, gelukkig, weer over.

Martinus Nijhoff, van wie onze pastoor een achternaamgenoot was, publiceerde dit gedicht in de bundel Vormen. Het heet ‘De soldaat die Jezus kruisigde’.

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ’k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief -’
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’