Fragment uit Het laatste testament van Frans Kellendonk

Er verschijnen zo verschrikkelijk veel vervelende biografieën (hier een paar voorbeelden noemen) dat het boek Het laatste testament van Frans Kellendonk van Arie Storm, hoewel geen ‘biografie in de strikte zin van het woord’, positief opvalt. Het boek heeft een sympathieke omvang, 144 bladzijden, en benadert de in een levensbeschrijving te vangen schrijver en zijn werk heel origineel, je moet soms even denken aan het boek over Gogol van Vladimir Nabokov. Een schrijver, overigens, waar Frans Kellendonk niet zo van hield, en Arie Storm wel.

Het boek is misschien geen biografie, het is wel een biografische roman, of een roman met biografische elementen, – het is een tekst, zoals er in het begin, niet zonder huivering, wordt gesteld. Het woord tekst is na de jaren zestig en de nouveau roman, en na de structuralisten, een beetje in de verdomhoek terecht gekomen, wat ik persoonlijk jammer vind. Ik vind het wel een fijn woord, tekst. Het geeft een naam aan het experimentele en het onvoltooide, iets waar Storm zich op zijn minst toe aangetrokken moet voelen.

De echte vondst van het boek, waarop het geheel (de tekst) werd gebaseerd, is dat Storm de stem van Kellendonk reconstrueert. Hij laat de overleden schrijver tot ons spreken, in een biografie die zich als roman heeft vermomd, of andersom, en via de woorden die Storm aan het scherm toevertrouwt. De stem kan ook over Arie Storm spreken, uiteraard, wat een aantal interessante passages oplevert waarin Kellendonk vertelt wat Storm vindt van de stand van zaken in de Nederlandstalige literatuur. Er komen een paar vaste boksballen tevoorschijn (Arthur Japin natuurlijk, Saskia Noort, Adriaan van Dis…), er wordt gemopperd over schrijvers die het vak niet serieus genoeg nemen, er is, kortom, genoeg te genieten in deze ‘confrontatie’ tussen de dode Kellendonk en de springlevende Storm.

Ik had het boek tot nu toe overgeslagen, en weet niet meer waarom. Na lezing ervan had ik meteen zin om weer eens door het Het complete werk van Kellendonk te bladeren.

Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Het laatste testament van Frans Kellendonk

Ongelovig katholiek (4)

‘En eh… geloof ik ook in die God van mij? Van de wenselijkheid, zeg maar gerust de noodzaak van zo’n geloof ben ik geheel doordrongen, maar wat geloven is en hoe het moet heb ik nooit kunnen ontdekken.’ Een citaat van Frans Kellendonk uit ‘Beeld en gelijkenis, over God’, een essay uit de bundel De veren van de zwaan, zijn laatste grote werk.

Kellendonk sluipt in zijn essay om God heen, zoals een kat om een al deerlijk verminkte huismus. Hij overweegt en onderzoekt meerdere manieren om tot geloof te geraken, de ratio, de overgave en het eenheidsdenken, om na veel geaarzel en af en toe een uitval tot deze conclusie te komen:

Intussen voegt ieder verhaal dat ik schrijf zich ongemerkt naar de ritus van de éne, heilige, katholieke en apostolische kerk, zoals ik die jarenlang minstens eenmaal per week heb meebeleefd. Hersenspoeling? Ik denk liever dat ik, een ongelovige, toch Gods werk doe, dat ik Zijn blinde handlanger ben en door mijn werk mezelf schep naar Zijn beeld en gelijkenis, zoals Hij Zichzelf schept door mij. Misschien, denk ik nu (en mijn onbehagen wordt zo groot als de kosmos), twijfelt God wel net zo hevig aan Zijn schepping als ik twijfel aan Hem, en is werkelijk geloven pas mogelijk in het Nieuwe Jeruzalem, waar Hij en ik één volmaakt lichaam zullen zijn.

Dat Nieuwe Jeruzalem staat beschreven in deze passage uit het bijbelboek De Openbaring van Johannes. Wie weet hoe het Frans Kellendonk is vergaan, aan welke ziekte hij stierf (AIDS), kan deze slotalinea alleen maar lezen als de uiting van een verlangen: het verlangen om na de dood, die dichtbij is, één te zijn met God – als ongelovige.

Ik besef dat dit veel te week klinkt, als ik het zo formuleer. Kellendonk zelf hamert er voortdurend op dat hij een ongelovige is, iemand die naar de kerk toegetrokken wordt, maar er strikt genomen niet bij kan of wil horen. Daarnaast is hij onderdeel van de kerk, van het ‘mystieke lichaam’, (we zijn hier in een wereld waarin alles meteen in een tegendeel verkeert) zonder er een vrije wil tegenover te kunnen stellen.

Het essay van Kellendonk bevat zijn meest geciteerde zinnen: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen, maar helaas is het niet zo dat het geloof begint waar het verstand ophoudt. Chesterton leek in zijn boek te menen dat je langs de weg van de rede tot God kunt geraken, maar Chesterton kon dat denken omdat hij al geloofde.’

Ik zou de hele tekst willen citeren, maar dat hoeft niet: dat doet DBNL al. Toch, nog twee zinnen: ‘Het ontbreekt me aan vertrouwen en dat komt weer doordat het me aan geloof in God ontbreekt. Geloven, lees ik in mijn handboek van de katholieke leer, is “geen door eigen arbeid verworven inzicht, maar overgave.”‘

Precies dat maakt het geloof zo huiveringwekkend. Je moet je er aan overgeven. Er is geen andere weg. Dat je daarvoor niet per se debiel hoeft te zijn, of overdreven volgzaam, is mij inmiddels bekend. Maar hoe kan ik de eeuwige twijfelaar, de mens die ik ben en die niet is ingericht op onvoorwaardelijke overgave, ombouwen tot iemand die gelooft? Het is alsof je op de duikplank staat en weet dat je, over een paar seconden, in het zwembad ligt, veilig omsloten door water: maar je springt niet.