Fragment uit Contouren

In Contouren van Rachel Cusk komt een ik-persoon mensen tegen die tegen haar beginnen te praten. Ze praat niet of nauwelijks terug. De ik-persoon, van wie we pas op bladzijde 176 te weten komen dat ze Faye heet, en dan alleen omdat ze wordt gebeld met de mededeling dat de hypotheekverhoging die ze aanvroeg is afgewezen, is net als de schrijfster van het boek een schrijfster. De vraag of het boek daarmee ‘autobiografisch’ is, is net zo zinloos als de vraag of het boek fictie zou zijn: het is allebei, en tijdens het lezen heb je 208 bladzijden lang het idee dat je ergens buiten wordt gehouden, ook al betrekt de schrijfster van het boek je bij alles wat ze tijdens het vertellen aan het doen is. Contouren is, ik geef het niet graag toe, een boek om jaloers op te zijn. Cusk brengt iets nieuws, iets wat er voordat ze dit boek publiceerde niet was: een soort boek als Contouren. In het Engels heet het Outline en is het deel 1 van een trilogie, die verder nog bestaat uit Transit en Kudos. In het Nederlands zijn de drie delen verschenen bij De Bezige Bij.

Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Contouren

Fragment uit De dokter en het lichte meisje

De dokter en het lichte meisje verscheen in 1951. Ik herlas het boek onlangs, in een door De Bezige Bij in 1967 uitgegeven zestiende druk. Gek genoeg herinnerde ik me weinig van het boek; en ik was er van onder de indruk alsof het een eerste lezing betrof. Het begint meteen al goed: de openingsalinea:

Op die herfstavond, enkele jaren na mijn artsexamen, zat de lange dikke met twee bijna afgestudeerde collega’s op het spaarzaam verlichte caféterras. Ik kwam aanlopen van de brug, en zij zagen me niet. Voor hen stonden drie geleegde bierglazen. Zij hadden zich warm gepraat en zouden dadelijk wel opstappen. Toen ik na enige aarzeling doorliep, was het mij te moede alsof er iets veranderd was, alsof er een ommekeer had plaatsgehad, die mij nog veel te doen zou geven. Deze verandering voltrok, zich binnen in mij, en zij mij niet zagen, niet in staat waren mij terug te roepen, was als een bezegeling daarvan. Vaak lijkt het zo weinig. Men beleeft het op straat, op een regenmiddag, wanneer een druppel iets te hoog en te zilverig terugspat van het asfalt. Daar rijdt een auto, niet eens door een plas, en van de vluchtheuvel springt een dame en holt een zijstraat in, als zag zij over de tramrails de baarlijke duivel aanrollen. Of er verdwijnt een vogel klapwiekend achter een 18de eeuwse daklijst. En dan ineens is het zo ver. Men is anders. Men wordt opgetild en ergens neergezet. Men voelt zich verlaten, en niet verlaten. Men peinst, over niets, of zo goed als niets. Menselijke aangezichten hebben allemaal die nauwelijks beledigende vraag in zich: ‘Wat doe je daar? O, ik zie het al, je staat daar; je denkt, dat ze je opgetild hebben, misschien is dat toch niet helemaal juist.’ Tot de werkelijkheid teruggebracht loopt men verder, en men vergeet het weer. Maar die druppel en die vluchtheuvel en die dame en die vogel komen altijd terug, in de gedaante die hen past.

Fragment uit De tuin van de familie Finzi-Contini

Uit: De tuin van de familie Finzi-Contini, vertaald door Jan van der Haar, De Bezige Bij, 2015, met een voorwoord van Bas Heijne: een van de boeken die je kunt blijven herlezen. Bassani schrijft over gebeurtenissen die weemoed oproepen, zonder dat hij direct weemoedig wordt, of de grens naar de sentimentaliteit oversteekt. Zijn melancholie zit tussen de dingen, in de gebeurtenissen, – ze kleeft aan de mensen. En ze is onderdeel van de geschiedenis die mensen vermorzelt maar verhalen niet kapot kan maken. Doorgaan met het lezen van “Fragment uit De tuin van de familie Finzi-Contini

Fragment uit Met angst en beven

Uit: Amélie Nothomb, Met angst en beven, in: De Japanse Romans, De Bezige Bij, 2011 (eerste Nederlandse editie 2001), vertaling door Marijke Arijs.

Niet alle Japanse vrouwen zijn mooi. Maar als een Japanse mooi is, dan kunnen de anderen het wel schudden.
Mooie vrouwen zijn altijd aangrijpend, maar Japanse schoon heden zijn nog aangrijpender. Ten eerste omdat die lelieblanke teint, die zachte blik, die weergaloze neusvleugels, die welgevormde lippen en die onbegrijpelijk zachte trekken de fraaiste gezichten in de schaduw stellen.
Ten tweede omdat hun houding die schoonheid stileert en in een kunstwerk verandert dat het verstand te boven gaat.
En last but not least omdat een schoonheid die zoveel lichamelijke en geestelijke beperkingen, zoveel verplichtingen, tegenwerking, absurde verbodsbepalingen, dogma’s, dwingelandij, pesterijen, sadisme, doodverklaringen en vernederingen heeft overleefd – zo’n schoonheid dus, een wonder van heroïsme is.
Niet dat Japanse vrouwen zielenpoten zijn, wel integendeel. Van alle vrouwen ter wereld zijn ze heus niet het slechtste af. Hun macht is aanzienlijk, en ik kan het weten.
Nee, als Japanse vrouwen bewondering verdienen – en dat verdienen ze – is het omdat ze geen zelfmoord plegen. Van hun prilste jeugd af spant alles samen om hun dromen kapot te maken. Ze gieten het hen met de paplepel in: ‘Als je op je vijfentwintigste nog niet getrouwd bent, heb je een goede reden om je te schamen’, ‘als je lacht, ben je ongemanierd’, ‘als je gezicht enige emotie verraadt, ben je ordinair’, ‘als je durft te suggereren dat je ook maar één haartje op je lichaam hebt, dan ben je obsceen’, ‘als een jongen je in het openbaar op de wang zoent, ben je een snol’, ‘als je geniet van je eten, ben je een varken’, ‘als je graag slaapt, ben je een luie koe’, en ga zo maar door. Die vermaningen zouden louter anekdotisch zijn, als ze de geest niet ondermijnden.
Want wat de Japanse vrouwen aan de hand van die onzinnige dogma’s in feite wordt ingepeperd, is dat je nooit op iets leuks moet hopen. Hoop niet op plezier, want dat zou je ondergang betekenen. Hoop niet dat je verliefd wordt, want je bent de moeite niet waard: als een man van je zou houden, zou het alleen zijn om wat je lijkt, niet om wat je bent. Verwacht helemaal niets van het leven, want elk jaar zul je erop achteruitgaan. Je kunt niet eens op zoiets doodgewoons als rust hopen, want je hebt geen enkele reden om gerust te zijn.

Fragment uit Gods ingewanden van Amélie Nothomb

Uit: Amélie Nothomb, Gods ingewanden, in: De Japanse Romans, De Bezige Bij, 2011 (eerste Nederlandse editie 2001), vertaling door Marijke Arijs.

Drie jaar zijn was beslist geen onverdeeld genoegen. De Japanners hadden groot gelijk als ze stelden dat kinderen vanaf die leeftijd geen goden meer waren. Nu al was er iets verloren gegaan, dat waardevoller was dan wat dan ook en nooit meer terug zou komen: het geloof dat de wereld me eeuwig goedgezind zou blijven.

Ik had mijn ouders horen zeggen dat ik binnenkort naar de Japanse kleuterschool zou gaan: dat voorspelde niet veel goeds. Wat? De tuin verlaten? Opgaan in een menigte kinderen? Het idee!

Er was nog iets veel ergers. In de tuin hing een onrustige sfeer. De natuur had een zeker verzadigingsniveau bereikt. De bomen waren te groen en te bladerrijk, het gras groeide te weelderig, de bloemen bloeiden alsof ze zich te barsten hadden gegeten. Sinds half augustus zagen de planten er zo voldaan uit als de dag na een schranspartij. De levenskracht die tevoren duidelijk in alles aanwezig was geweest, ging langzaam over in vadsigheid.

Zonder dat ik het wist werd mij in die aanblik een van de vreselijkste wetten van het universum geopenbaard: stilstand is achteruitgang. Na de groei treedt het verval in: tussen die twee is er niets. Het hoogtij bestaat niet. Het is een illusie. Neem nu de zomer. Je hebt een lange lente, met een spectaculaire werking van levenssappen en driften: die opleving is nog niet voorbij of de neergang is al begonnen.

Vanaf half augustus krijgt de dood de overhand. Niet dat de bladeren al beginnen te verkleuren. De bomen zijn nog zo bebladerd dat je je niet kunt voorstellen dat ze binnenkort kaal zullen zijn. De planten tieren weliger dan ooit, de bloemperkjes bloeien, alles wijst op een bloeitijd. En toch is het dat niet, gewoon omdat het niet kan, omdat stabiliteit niet bestaat.

Als driejarige wist ik dat allemaal nog niet. Ik stond mijlenver af van de stervende koning die roept: ‘Wat ten einde loopt, is al geëindigd.’ Ik kon mijn gevoel van beklemming onmogelijk verwoorden, maar ik voelde wel dat de doodsstrijd was ingetreden. De natuur legde het er te dik op: dat was niet pluis.

Als ik het tegen de anderen had verteld, dan hadden ze me uitgelegd hoe de kringloop der jaargetijden in elkaar zat. Als je drie bent, weet je niets meer van het jaar ervoor, ben je nog niet tot de constatering gekomen dat alles altijd terugkomt en is de komst van een nieuw seizoen een onomkeerbare ramp.

Als je twee bent, zie je de seizoenwisselingen niet en kunnen ze je gestolen worden. Op je vierde zie je ze wel, maar vind je ze gewoon en kun je ze relativeren, omdat je nog herinneringen hebt aan het jaar daarvoor. Op je derde ben je doodongerust: je ziet alles, maar begrijpt er geen snars van. Je kunt geen beroep doen op enige mentale jurisprudentie om je gerust te stellen. Als je drie bent, komt het ook niet bij je op om de anderen om uitleg te vragen: je bent er niet noodzakelijk van overtuigd dat volwassenen meer ervaring hebben – en misschien heb je geen ongelijk.