Adam Zagajewski (en de Boekenweek)

Uit: Slight Exaggeration, Adam Zagjewski, translates by Clare Cavanagh, MacMillan

Still in Paris: a warm, damp January. In the subway cars, many passengers read thick novels, even at peak hours when the reader’s head is encircled by the crowds of those who couldn’t get seats. Paris is, after all, the capital of the novel. Writing and reading novels is a serious business in this city. Patrons of the subway and the vast suburban railroads require enormous quantities of reading matter monthly. As the publishing houses know full well: they churn out new volumes nonstop. The great bookstores, for example the famous FNAC chain, then erect little shrines devoted to specific novelists, shrines built around a photograph of a given author, which is then encased by stacks of books … As in Proust, who describes Parisian bookstores after Bergotte’s death: he compares the fictional writer’s books to angels with outstretched wings, keeping watch over their maker’s soul. In Proust, though, this is a rare and marvelous moment—but for exclusively commercial reasons. And these novels, written with an eye to subway riders and suburban commuters, are quickly forgotten. New books appear. They’re rarely read twice. The bookstalls by the Seine overflow with thousands of yellowed novels from the last fifty or eighty years, novels that had their brief moment of fame, but must now soak and freeze beneath the naked sky—their fate isn’t much better than that of the clochards. Books of poetry, not to mention the poets themselves, are a different matter in Paris. True, you do sometimes come upon the same posters with brief poems in the subway cars that you find in New York, but hardly anyone seems to notice; they’re engrossed in their thick novels. (Once in Germany, when I presented my theory about easily forgotten novels, my neighbor at the dinner table hissed, ’Das ist Kulturpessimismus!’).

Lezen (32)

Tijdens de jaarlijkse Boekenweek lijdt de lezer. Het boek, deze voorbode van leesgenot, in het beste geval, is bij uitstek ongeschikt om te worden opgeleukt tot artikel dat centraal staat in een verkoopbevorderend evenement. Laat staan in een tien dágen durend verkoopbevorderend evenement.

Lezen is, zelfs al het een bestseller betreft, een gesprek tussen één tekst en één lezer. Die tekst gaat vervolgens zijn werk doen in het weefwerk aan teksten dat ligt opgeslagen in het hoofd van die éne lezer, een lezer die gaandeweg zijn plek zal zoeken in de gemeenschap van lezers. Een gemeenschap van eenlingen. Geen consumentenvereniging.

Natuurlijk: het boek is handel, op papier of in een digitaal bestand neergeslagen tekst die moet worden verkocht – anders stort het kaartenhuis waar we de huidige lezer op is aangewezen in elkaar.

Ik probeer me dat wel eens voor te stellen. Alle uitgevers weg, de boekhandels leeg en verlaten, redacteuren, vertegenwoordigers en medewerkers binnendienst werkeloos. Schrijvers die huilend door de straten lopen. Hoewel, huilend…

Op den duur zal iemand een boek schrijven. Hoe dat vervolgens verschijnt, in welke vorm: ik heb geen idee. Maar het zal worden verspreid en gelezen. Tekst is net onkruid, en het verhaal is hardnekkiger dan kattenvlooien.

Begin van de week zag ik Tom Lanoye op de tv. Hij riep de kijkers op om een boek te kopen, tijdens de Boekenweek. Hij droeg geen commerciële redenen aan, nee, hij bond de lezer op het hart dat het hier om de kracht van de verbeelding ging: die kracht, daar kunnen wij niet buiten.

Ik heb de schrijver Lanoye lief, maar bij zoveel zendingsdrang vraag ik me toch af of ik te maken heb met toneelspel of met gewone naïviteit. Of met iemand die door het bedrag dat de CPNB op zijn rekening overmaakte tijdelijk verblind is geraakt. Wie in zijn leven genoeg heeft gelezen, neemt dergelijke praat niet meteen op de koop toe.

Nu ja. Je zit jaren in je eentje gebogen boven die ellendige stofnesten, je gezondheid opofferend, maar dan héb je op den duur wel wat. Een door en door gespierde achterdocht.