Mooie (‘mooie’) poëzie: Arjen Duinker, József Kiprich, Bernard Heesen

Wat lees je als je de poëzie van Arjen Duinker leest? Het meest correcte antwoord is: ‘Dan lees je de poëzie van Arjen Duinker’

Als je de poëzie van Arjen Duinker leest, moet je bereid zijn om los te laten. Je moet bereid zijn om de manier waarop je poëzie leerde lezen los te laten. Je moet de manier waarop je las al hebben losgelaten. Doorgaan met het lezen van “Mooie (‘mooie’) poëzie: Arjen Duinker, József Kiprich, Bernard Heesen”

Over poëzie, en over Arjen Duinker

J.C. Bloem debuteerde in 1921, maar werd pas een jaar of 35 later een nationale poëzieknuffelbeer, toen de ooievaarpocket Doorschenen wolkenranden (een titel die aan een huidziekte doet denken) verscheen. Veel gedichten voor weinig geld, het werkte. Daarna was er geen houden meer aan. J.C. Bloem werd een dichter waar een ‘som van misverstanden’ omheen ontstond. Dát was nog eens een dichter. Een lijdende, lichamelijk grotendeels uitgeschakelde man die in vijf of zes klassiekers het ‘universele levensgevoel’ vastlegde. J.C. Bloem wás poëzie en poëzie was vanaf dat moment J.C. Bloem. Ik weet niet of hij nu nog veel wordt gelezen, maar ik weet wel dat hij veel is gelezen — en zijn invloed is tot op de dag van vandaag terug te vinden, in het werk van Menno Wigman bijvoorbeeld (deels ten positieve), of in het werk van Pieter Boskma (weerkaatst door een lachspiegel). Doorgaan met het lezen van “Over poëzie, en over Arjen Duinker”