Een roadmovie (met Kathy Acker) – het begin

© Robert Mapplethorpe

Juli 1983. Ik ben achttien en net van de middelbare school. Mijn lichaam is ongevormd, bijna haarloos, ik ben op zoek naar een vorm. Ik ben een libido dat naar binnen slaat. Niemand ziet me. Mijn huid is niet alleen een beschermende laag om mijn lijf, zij is een schild tussen mij en de buitenwereld — hoewel, is er een buitenwereld, en zo ja, waar is die? Doorgaan met het lezen van “Een roadmovie (met Kathy Acker) – het begin”

In de metro (44): De metrogangen vullen zich met duisternis

Ik zit in de metro en denk aan mijn vader. Hij is dood. Eigenlijk is hij al dood sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis van Weert op 10 juli 2019. Toch heeft hij vervolgens nog tot 14 juli geleefd. In zijn eigen huis. Doodgaan is moeilijk én gemakkelijk: eerst bereid je je eindeloos voor – een voorbereiding die met angst én een opgeschroefde opgewektheid is gevuld – en dan ga je helemaal alleen dood. Na zijn dood duurde het even voordat zijn familie zeker wist dat hij er niet meer was. We hadden nog nooit iemand dood zien gaan, hoe herken je een gestorven persoon? Zo iemand doet heel weinig.

Tegenover me zit een vrouw in een witte jurk. Het is vandaag 35 graden. De jurk biedt aan de bovenkant inkijk. Ik kijk, en de vrouw draait haar bovenlichaam zo dat ik meer kan zien. We spreken niet. Ze controleert af en toe of ik haar wel bekijk, haalt haar hand door het haar, verschuift een been, – het is een filmscène, straks doen we de deur open van een appartement, struikelen naar binnen, trekken de kleren van elkaars lijf. De vrouw is onderdanig en dominant. Angst en tot barsheid omgevormde gerichtheid op de ander wisselen elkaar af . Ze draagt een enkelband vol bedeltjes, wat niet kan en toch klopt.

Jan Kostwinder had altijd uitgesproken ideeën over poëzie. Het woord poëzie kon hij uitspreken als geen ander, fonetisch werd het zoiets als: po-wèj-sie, dit alles met een Amsterdams accent gebracht. Over die ideeën kon hij eindeloos lang vertellen. Hij begon met een exposé over hoe het niet moest, polemiek was zijn tweede natuur, om daarna over te schakelen op hoe het wel moest. Bewondering was voor hem een vorm van polemiek.

Net als sommige schilders maakte hij verschillende periodes door. Eind jaren tachtig was dat die van de ‘helderheid’. Poëzie moest ‘helder’ zijn, ook voor de gewone man te begrijpen. De dichter moest schrijven wat hij bedoelde, niet wat hij voor poëtisch hield. In zijn debuut Binnensmonds staan de meeste gedichten uit die periode. Sinds ik het boek voor het eerst las, ben ik vooral onder de indruk van:

Tocht

Ik luisterde met mijn handen
aan de spijlen van de box:
u taalde al naar mij.

De metrogangen vullen zich met duisternis
en kraaien. Als een impuls stroom ik door
de zenuwbanen van de stad, ik ben op zoek
naar haar namen, want iemand, niemand
is begraven en ongedoofd aanwezig
in mijn hoofd.

Ik kijk en tuur en gluur in alle gaten
zonder licht, ik ben in alle staten,
steden al geweest en stamel
als een kind dat blind van angst is
en weet dat het niet zal worden geloofd:
mijn vader is dood, mijn vader is dood.

Ik zie nu hoe Kostwinder probeert het geheel dichterlijk te maken, hoe die cursieve zinnen in strofe 1 (niet) werken, hoe hij binnen-rijmt en allitereert. Toch ben ik 31 jaar na het verschijnen van de bundel net zo overtuigd als toen.

De slotzin van het gedicht, met de dubbele uitroep, heeft een aparte ontstaansgeschiedenis. Schrijver René Huigen vroeg aan Kostwinder, na lezing van diens vroege werk, wat hij er nu eigenlijk mee wilde. Jan heeft toen iets gezegd als: Ik wil vertellen dat mijn vader heel vroeg in mijn leven is gestorven. Waarop Huigen antwoordde: ‘Schrijf dát dan op.’ En zo geschiedde. Later zou Huigen in het blad Tzara een ultrakorte recensie over Binnensmonds schrijven: ‘Slecht proza.’ Jan heeft hem zijn hele verdere leven, dat tot 2001 duurde, niet vergeven.

We stappen uit, de vrouw en ik. Bijna naast elkaar lopen we naar de trap. Ze ruikt lekker: bloemen en een beetje zweet. Ik zie haar lichaam en ben me, ondertussen, volledig bewust van het mijne. We leven. Ik leef. Ik wel. We zetten tegelijk een voet op de eerste tree van de trap. We kijken allebei of de ander wel in de buurt blijft.

Tweede blog voor Extaze: De macht van de boekhandel

Gelukkig is die situatie voorbij. Ik verlang er niet naar terug. Op mij werkte het altijd averechts, die sfeer van cultureel goed doen, een sfeer waarin een kleine groep ‘kenners’ voor het gajes bepaalt wat de moeite is, en vooral: wat niet. Ik zoek liever ongehinderd naar boeken die ik wil kopen en, eventueel, lezen. Ik herinner me mijn oude winkelchefs, hoe ze voor een min of geïntimeerde klant stonden, een Boek in de handen, Het Boek, dat die klant onmiddellijk diende te kopen en lezen, anders zou hij de rest van zijn leven als cultureel-debiel bekend blijven staan.

Lees verder op Extaze >>

En in de nacht een riem: verschijnt in oktober 2019

Met En in de nacht een riem  schreef Chrétien Breukers de liefdesroman van zijn generatie.

En in de nacht een riem is een lyrische liefdesroman, een uit fragmenten opgebouwde lofzang op het lichaam en een ode aan de pijn-die-waarheid is.

Thomas Meerman ligt met koorts in bed. Hij denkt na en droomt. Over zijn leven en over de liefde. Meerman ontdekt wat de waarheid is en waar die woont: in het lichaam. In het lichaam van Leonie en Jitka en in dat van hemzelf.

De waarheid is iets heel anders dan wat ik altijd voor de waarheid heb gehouden. De waarheid is een ding met stekels en weerhaken, de waarheid heeft een koffer vol zwepen en rietjes en riemen en touwen en andere accessoires en de waarheid duldt wel tegenspraak, alleen word je dan gestraft.

‘Chrétien Breukers is een meester van het laconieke drama. Hij spaart zichzelf niet, hij spaart de wereld niet, niets is bij hem veilig en daarom moet iedereen hem lezen.’ Rob van Essen

En in de nacht een riem verschijnt in oktober 2019 bij Uitgeverij Oevers. Hier alle informatie, op de website van de uitgeverij >>

In de metro (43)

The apparition of these faces in the crowd: / Petals on a wet, black bough. Dit is het gedicht ‘In a Station of the Metro’ van Ezra Pound. Ik sta te wachten op Stodulky. Er loopt een rivier over mijn rug, van de schouderbladen naar beneden. De laptoptas schuurt mijn zij. Ik wil naar huis en ik wil me niet bewegen. Ik wil in een bad vol ijsblokjes gaan liggen. Ik denk aan de man die ik ooit zag in Venetië, een Amerikaanse jood van een jaar of zeventig. Hij hield een whiskyglas omhoog en zei tegen een serveerster: ‘You see this glas?’ Fill it with ice, and then with vodka. To the brim.’ Het meisje zei dat ze geen vodka schonken in die glazen en hij zei: ‘Sure you do.’ Een paar minuten later had hij zijn vodka. Doorgaan met het lezen van “In de metro (43)”

In de metro (42): Bint en Baudet

Sommige mensen verliezen, denk ik, terwijl ik sta te wachten op de metro naar huis, buiten is het dertig graden in de schaduw en ondergronds tien graden kouder, de geur van zweet wandelt als een dronkenlap over de perrons, – sommige mensen verliezen hun vechtlust al voordat ze zijn geboren. Ik zweet, vermoed ik, maar ik durf mijn armen niet op te tillen om onder mijn oksels te ruiken. Ik vertrouw op mijn deo. De zomer is begonnen en mijn lichaam ronkelt van genoegen. Ik vind het fijn als de temperatuur boven de 25 graden komt, de kou is dan echt verdreven. Doorgaan met het lezen van “In de metro (42): Bint en Baudet”

In de metro (41): Een droom over een vliegtuig

In de metro denk ik na over mijn droom van vannacht. Ik lig op een veld, het gras is droog, de temperatuur aangenaam, er zijn heel veel mensen in de buurt, zij liggen ook, en we wachten allemaal op iets. Er komt een vliegtuig over, dat wil zeggen: een heel groot vliegtuig is bezig met overkomen, heel laag hangt het vliegtuig, over een paar seconden moet het echt hoog in de lucht zijn – en dan breekt het ding in twee stukken en stort neer, niet ver van de plek waar ik en alle mensen om mij heen liggen. Het lijkt net of iemand een stuk brood breekt en dat naar beneden gooit. Niemand staat op. Ik denk: Dit hoef ik niet per se als eerste te zien, ik wacht wel even tot het ergste voorbij is. Doorgaan met het lezen van “In de metro (41): Een droom over een vliegtuig”