Ongelovig katholiek (4)

‘En eh… geloof ik ook in die God van mij? Van de wenselijkheid, zeg maar gerust de noodzaak van zo’n geloof ben ik geheel doordrongen, maar wat geloven is en hoe het moet heb ik nooit kunnen ontdekken.’ Een citaat van Frans Kellendonk uit ‘Beeld en gelijkenis, over God’, een essay uit de bundel De veren van de zwaan, zijn laatste grote werk.

Kellendonk sluipt in zijn essay om God heen, zoals een kat om een al deerlijk verminkte huismus. Hij overweegt en onderzoekt meerdere manieren om tot geloof te geraken, de ratio, de overgave en het eenheidsdenken, om na veel geaarzel en af en toe een uitval tot deze conclusie te komen:

Intussen voegt ieder verhaal dat ik schrijf zich ongemerkt naar de ritus van de éne, heilige, katholieke en apostolische kerk, zoals ik die jarenlang minstens eenmaal per week heb meebeleefd. Hersenspoeling? Ik denk liever dat ik, een ongelovige, toch Gods werk doe, dat ik Zijn blinde handlanger ben en door mijn werk mezelf schep naar Zijn beeld en gelijkenis, zoals Hij Zichzelf schept door mij. Misschien, denk ik nu (en mijn onbehagen wordt zo groot als de kosmos), twijfelt God wel net zo hevig aan Zijn schepping als ik twijfel aan Hem, en is werkelijk geloven pas mogelijk in het Nieuwe Jeruzalem, waar Hij en ik één volmaakt lichaam zullen zijn.

Dat Nieuwe Jeruzalem staat beschreven in deze passage uit het bijbelboek De Openbaring van Johannes. Wie weet hoe het Frans Kellendonk is vergaan, aan welke ziekte hij stierf (AIDS), kan deze slotalinea alleen maar lezen als de uiting van een verlangen: het verlangen om na de dood, die dichtbij is, één te zijn met God – als ongelovige.

Ik besef dat dit veel te week klinkt, als ik het zo formuleer. Kellendonk zelf hamert er voortdurend op dat hij een ongelovige is, iemand die naar de kerk toegetrokken wordt, maar er strikt genomen niet bij kan of wil horen. Daarnaast is hij onderdeel van de kerk, van het ‘mystieke lichaam’, (we zijn hier in een wereld waarin alles meteen in een tegendeel verkeert) zonder er een vrije wil tegenover te kunnen stellen.

Het essay van Kellendonk bevat zijn meest geciteerde zinnen: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen, maar helaas is het niet zo dat het geloof begint waar het verstand ophoudt. Chesterton leek in zijn boek te menen dat je langs de weg van de rede tot God kunt geraken, maar Chesterton kon dat denken omdat hij al geloofde.’

Ik zou de hele tekst willen citeren, maar dat hoeft niet: dat doet DBNL al. Toch, nog twee zinnen: ‘Het ontbreekt me aan vertrouwen en dat komt weer doordat het me aan geloof in God ontbreekt. Geloven, lees ik in mijn handboek van de katholieke leer, is “geen door eigen arbeid verworven inzicht, maar overgave.”‘

Precies dat maakt het geloof zo huiveringwekkend. Je moet je er aan overgeven. Er is geen andere weg. Dat je daarvoor niet per se debiel hoeft te zijn, of overdreven volgzaam, is mij inmiddels bekend. Maar hoe kan ik de eeuwige twijfelaar, de mens die ik ben en die niet is ingericht op onvoorwaardelijke overgave, ombouwen tot iemand die gelooft? Het is alsof je op de duikplank staat en weet dat je, over een paar seconden, in het zwembad ligt, veilig omsloten door water: maar je springt niet.

Ongelovig katholiek (2)

De katholieke kerk is een ideaal instituut. Ik zou er meteen actief lid van worden. Alleen jammer dat  er zo veel katholieken de dienst in uitmaken.

De ongelovige heeft, meer dan waarschijnlijk, gelijk. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hij dat ook automatisch moet kríjgen.

Tijdens het lezen van boeken van Richard Dawkins, Bil Bryson of Kris Verburgh voel ik, excuseer het woord, een bijna religieuze vervoering. Het besef dat de aarde is opgenomen in een geheel waar ik alleen in aanbidding naar kan opkijken. Al is opkijken niet het juiste woord, want ik kan het geheel sowieso niet zien. Ik ben onwetend en voel me, heel even, via die boeken, verbonden met een bron van kennis waar ik helaas niet uitgebreid van kan drinken. Vanwege te dom. Omdat ik hun teksten niet echt begrijp, geven ze me het besef dat ik iets leer, meer dan welke andere lectuur dan ook.

God is niet voor niets “de vader”, “de wet” en “het woord” in een. Als je geen vaderbeeld hebt, geen wetgevende instantie, geen taalbron – dan is het al een stuk moeilijker om die hele santekraam – letterlijk – aan te nemen. Het geloof is een zaak van vaders en, onvermijdelijk, zonen die in de voetsporen van de (willen) vader treden. Hoe het met de moeders en dochters zit, is mij niet duidelijk.

Benedictus XVI krijgt een eigen, speciaal op zijn lijf en lijfgeur toegesneden parfum. De oppersamensteller van deze heilige lucht is Silvana Casoli, die, lees ik, “eerder al samenwerkte met sterren als Madonna en Sting”. Madonna, ja, natuurlijk, en Sting is verklaarbaar als je het verhaal van de soldaat die de zijde van Jezus doorboorde in herinnering roept. Jammer genoeg kan het grote publiek geen kennisnemen van de geur die om de paus heen gaat hangen (behalve natuurlijk de mensen die hem persoonlijk kennen en heel dicht bij hem mogen komen, om even te ruiken). “In tegenstelling tot de meeste parfums zal dit geurtje niet verkocht worden aan het publiek en mag het alleen gedragen worden door de paus.” Ach, een sample te hebben van die geur!