Lela Zečković overleden

Op 9 februari is Lela Zečković overleden. Ze was vertaalster, wetenschappelijk medewerker en tussen 1959 en 1990 de echtgenote van Hans Faverey, van wie ze na 8 juli 1990 de weduwe werd. En ze is de dichter van één bundel en een handvol ongebundelde tijdschriftpublicaties. De bundel heet Belvédère en verscheen in 1981 bij Querido. Ik heb hem niet bij de hand, helaas, en kan er dus ook niet uit citeren.

Er verschenen twee stukken naar aanleiding van haar dood. Martin Reints herdacht de dichter in De Groene. Het stuk is hier te lezen. Marc Kregting schrijft over haar poëzie in een aan een essayistisch werk gewijd feuilleton. Reints en Kregting citeren allebei een gedicht dat mij doet denken: herdrukken, die bundel (met de ongebundelde gedichten als bonustracks). Op DBNL zijn wat gedichten uit tijdschriften van haar te lezen. Ik neem het gedicht dat Kregting citeerde hieronder over. Het is schitterend, en vanaf het moment dat hij het overnam wat mij betreft klassiek. Doorgaan met het lezen van “Lela Zečković overleden”

Ernst Jandl: misschien wordt het beter

‘Een gedicht schrijven waarmee je in de Hitlertijd niet in een KZ zou zijn beland, deugt niet.’ Waarom weet ik niet, maar dit soort uitspraken irriteert me. Het is die gemakkelijke samensmeding van politiek en lyriek die mij de kast opjaagt en er bijna niet meer af krijgt. Zelfs als die uitspraak gedaan is door Ernst Jandl, Oostenrijks dichter en taalkunstenaar, kan ik er niet tegen. Ik snáp wel wat hij bedoelt. Ik wil zelfs aannemen dat de bewering niet gratis is. En toch. Doorgaan met het lezen van “Ernst Jandl: misschien wordt het beter”

Voor de verre prinses, een jaar later

Een jaar geleden verscheen Voor de verre prinses, een bundel liefdesbrieven bij gedichten. Ik heb een paar keer geprobeerd om een ‘vervolg’ te schrijven. Blijkbaar had ik er een jaar voor nodig. Dit is of de eerste brief van een vervolg, of de slotbrief. Of misschien is de tekst wel iets anders.

totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

© Gerrit Kouwenaar Doorgaan met het lezen van “Voor de verre prinses, een jaar later”

Dmitri Danilov: Het saaie, het gewone

Je kunt van de poëzie van Dmitri Danilov veel zeggen, maar niet dat zij saai is, of gewoon. Toch heet de keuze uit zijn recentste bundels die onlangs bij Douane verscheen Het saaie, het gewone. Waarschijnlijk doelde de uitgever of de vertaler hiermee op de manier waarop de dichter allerlei ‘gewone’ dingen en gebeurtenissen in zijn eindeloos lange verhaal-verzen opneemt, en de manier waarop hij daarover, ook weer ‘gewoon’, vertelt. Doorgaan met het lezen van “Dmitri Danilov: Het saaie, het gewone

Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur

In een opiniestuk over de tanende aandacht voor jeugd- en kinderliteratuur op de website van Trouw citeert Bas Maliepaard de jeugdboekenschrijver Sjoerd Kuyper: ‘Het belang van jeugdliteratuur ontstijgt de boekenkast. Kinderboeken kunnen, als ze met de juiste instelling geschreven zijn, met het hart van een kind en de hand van een volwassene, van kinderen mooie grote mensen maken.’ Mij rijzen bij dit argument de haren ten berge. Ik zie die volwassene op een of andere manier meteen voor me, een wat weke persoon die deels in zijn kindertijd bleef hangen en af en toe de pedagogische zotskap opzet om vervolgens, als je echt pech hebt, op de problematiek van de tijd toegesneden (onverdraaglijk modieuze) boeken te gaan schrijven.

Doorgaan met het lezen van “Over de (niet zo) noodzakelijke jeugdliteratuur”

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten; over Pierre Kemp

Op bladzijde 88 en 89 van de bloemlezing Het regent in de trompetten, de mooiste gedichten van Pierre Kemp, uitgegeven bij gelegenheid van Pierre Kemps vijftigste sterfjaar, staan vier gedichten bij elkaar waarin Kemp poëticale uitspraken doet (en waarvan er een de titel aan de bloemlezing verschafte). Dit is het eerste:

Dante en ik

Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten,
het lukt mij niet.
Mijn motieven waaien wel naar buiten,
maar vormen geen lied,
geen arabeske, geen canzone
of vluchtiger als in deze tijd,
een hupse hulde aan een schone,
niet oud-gekleurd en meer bereid.
Zo gaat mijn dure tijd voorbij.
Dit is ook het enige verschil tussen mij
en die geniale Zanger van de Hel,
want Dante kon dat wel. Doorgaan met het lezen van “Ik probeer op mijn eigen neus te fluiten; over Pierre Kemp”

Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm

Na lezing van dit onderzoek van Kila van der Starre, gisteren tijdens of voorafgaand aan de Nacht van de Poëzie in Utrecht gepresenteerd, een onderzoek dat haar zeker ooit de Roos Vonk-leerstoel zal opleveren, presenteer ik – nog steeds confuus van zoveel wijsheid – een samenvatting van Van der Starre’s titanenwerk:

Nederlanders denken bij de term ‘mensen’ vooral aan ‘institutioneel erkende’ mensen. Mensen die door erkende instanties erkend worden als mens, worden ook door het merendeel van de volwassen Nederlanders als zodanig erkend. Mensen met minder erkenning uit de officiële wereld zijn ook in de ogen van de meeste Nederlanders minder vaak mensen. Wel zijn dit soort mensen veel bekender dan de mensen die officieel als mens worden beschouwd. Denk hier aan de BraboNeger, Gerard Joling en de TuigVlogger. Wanneer Nederlanders denken aan mensen, denken zij in veel gevallen aan (het voorkomen van) officieel erkende mannen (zoals Barack Obama, Jesse Klaver of Vladimir Poetin). Doorgaan met het lezen van “Mensen worden meestal ervaren in mondelinge vorm”

Een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen

‘Verveling, verveling, smachten naar een glimp van geluk, wachten op de uren durende extase, de exaltatie der verbeelding, ja, nu moet zich iets voordoen, ik wil beslist deze avond niet nutteloos doorbrengen, en verdraaid, ik zie een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen, naar de inrichting te zien ergens in de jaren 1920-1925.’

Doorgaan met het lezen van “Een kamer in een statig herenhuis in het centrum van Kopenhagen”

I am most faithless when I most am true

De poëzie van Edna St. Vincent Millay is eigenlijk altijd goed. Dat merkte ik tijdens het lezen van dit artikel op het (onvolprezen) weblog BraninPickings. Tegelijkertijd is er altijd wel iets op haar gedichten aan te merken. Ze vult haar regels tot over de rand, omdat ze anders niet kan zeggen wat ze precies wil zeggen. Dat geeft het geheel iets springerigs, iets onvoltooids. Het geeft niet. Het hoort zo te zijn. Juist op die momenten zijn haar gedichten goed. Ze staan niet alleen vol paradoxen, ze zijn ook op paradoxale wijze niet-helemaal-goed en daarom helemaal af. Dit voorbeeld: Doorgaan met het lezen van “I am most faithless when I most am true”

Lezen: Ralf Mohren

Over De hemel is zwart vandaag van Ralf Mohren.

Wie naar de andere kant van de zee verhuist, verhuist niet van ziel (‘Caelum, non animum mutant, qui trans mare currunt’). Dat is een waarheid als een koe. Bedacht door Horatius die deze woorden geschreven had kunnen hebben naar aanleiding van de nieuwe roman van Ralf Mohren: De hemel is zwart vandaag. Het boek ‘gaat’ over de leraar Nederlands Arthur Poolman die aan het eind van de jaren negentig van de twintigste eeuw voor drie jaar naar Curaçao gaat en daar binnen twee jaar fiks verloren loopt. In ‘een web van drank, goedkope seks, ontworteling en waanzin’, zou een middelmatige recensent schrijven. Ik zou zeggen: Hij raakt van het pad en merkt dat hij zijn ziel in zijn thuisland (Nederland, Limburg) heeft achtergelaten en niet kan missen. Doorgaan met het lezen van “Lezen: Ralf Mohren”