Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar

Ik las privé-domein 294, Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. Anna Enquist legt in nog geen 200 pagina’s haar vriendschap met de dichter Kouwenaar vast. Het is, en ik zeg dit zonder voorbehoud of ironie, een sympathiek boek. Je leest dit soort teksten niet vaak, van dichters over dichters. Enquist was werkelijk bevriend met Kouwenaar, en had hem niet alleen nodig om haar poëtica aan te slijpen of om haar carrière mee op te leuken. De modderige tekst die Marc Reugebrink schreef op het shipwreck called Fukushima bewijst in elk geval dat Enquist iets omschrijft wat heel veel schrijvers in het contact tussen collega’s niet kunnen opbrengen: vriendschap en liefde. Doorgaan met het lezen van “Anna Enquist en Gerrit Kouwenaar”

Dmitri Danilov: Zwarte en Groene

Wat een boek: Zwarte en Groene van Dmitri Danilov, in 2008 uitgegeven door Douane. Deze novelle, of is het een roman?, lijkt er wel in één lange sessie uitgegooid; Danilovs stijl is bijna snauwerig, kort-af: ‘Om vier uur op, naar het Jaroslavstation. Zomer, lekker fris, heerlijk. Kaartje kopen. Stoptrein naar Aleksandrov I. Ja, je hebt immers ook nog Aleksandrov II.’ Ik las eerder de ‘dichtbundel’ Het saaie, het gewone en de ‘voetbalroman’ Er zijn belangrijker dingen dan voetbal, en die waren uit ongeveer hetzelfde materiaal opgetrokken. Doorgaan met het lezen van “Dmitri Danilov: Zwarte en Groene”

Houden van Simon Carmiggelt

Ooit, tot kort geleden, hield ik van het werk van Simon Carmiggelt. Ik kocht zijn werk bij de kringloopwinkel, voor 1 euro per boek, en bewonderde zijn… ja, wat bewonderde ik eigenlijk? Daar kon ik geen antwoord op geven toen een vriend, iemand die ik goed ken en wiens oordeel ik accepteer, het aan me vroeg. Ik bracht nog net uit dat ik Carmiggelts stijl… waardeerde. ‘Te koket,’ zei die vriend, die soms verrassend kort door de bocht kan komen voor iemand die in wezen heel subtiel en gevoelig is. Nu is diezelfde persoon een liefhebber van Nescio. Als ik één schrijver ooit koket heb gevonden, en redelijk onecht, is het Nescio. Dus ik kon zijn negatieve oordeel een een tijd links laten liggen. Tot ik op DBNL het boek Ik lieg de waarheid aanklikte. Een keuze uit ‘de beste Kronkels’, samengesteld en ingeleid door Sylvia Witteman. Doorgaan met het lezen van “Houden van Simon Carmiggelt”

Shūsaku Endō (遠藤 周作 Endō Shūsaku)

Foto: Peter Owen, publisher

Vier boeken las ik van Shūsaku Endō. In volgorde: StilteDe SamoeraiJezus: het verhaal van een leven (alle drie bij Kok verschenen) en Het meisje dat ik achterliet (niet lang geleden verschenen bij Van Oorschot). Zijn boeken hebben hetzelfde effect op me als de films van Yasujiro Ozu – het verhaal is redelijk eenvoudig en wordt behoorlijk lang uitgesmeerd, en toch volg je het ademloos. Tot je de laatste bladzijde hebt omgeslagen / het laatste beeld hebt gezien. Stilte kocht ik op het vliegveld in Eindhoven, omdat mijn vlucht vertraging had. Die vertraging liep op tot drie uur en toch miste ik mijn vlucht bijna. Ik las. Doorgaan met het lezen van “Shūsaku Endō (遠藤 周作 Endō Shūsaku)”

Over poëzie, en over Arjen Duinker

J.C. Bloem debuteerde in 1921, maar werd pas een jaar of 35 later een nationale poëzieknuffelbeer, toen de ooievaarpocket Doorschenen wolkenranden (een titel die aan een huidziekte doet denken) verscheen. Veel gedichten voor weinig geld, het werkte. Daarna was er geen houden meer aan. J.C. Bloem werd een dichter waar een ‘som van misverstanden’ omheen ontstond. Dát was nog eens een dichter. Een lijdende, lichamelijk grotendeels uitgeschakelde man die in vijf of zes klassiekers het ‘universele levensgevoel’ vastlegde. J.C. Bloem wás poëzie en poëzie was vanaf dat moment J.C. Bloem. Ik weet niet of hij nu nog veel wordt gelezen, maar ik weet wel dat hij veel is gelezen — en zijn invloed is tot op de dag van vandaag terug te vinden, in het werk van Menno Wigman bijvoorbeeld (deels ten positieve), of in het werk van Pieter Boskma (weerkaatst door een lachspiegel). Doorgaan met het lezen van “Over poëzie, en over Arjen Duinker”

Laat ons de stilte meevoeren – over Rui Cóias

Poëzie die over de stilte gaat, is een paradox. Iets wat wordt gezegd, doorbreekt de stilte. Die paradox is waar veel dichters, van Hadewijch tot Gerrit Kouwenaar, mee spelen. Of misschien is spelen een te licht woord voor wat ze doen. Die stilte is het slagveld waarop ze geluid maken. De dichter Rui Cóias schrijft zijn gedichten op dat slagveld: ‘Laat de stilte ons meevoeren in haar kleur van niets’.

Vertaler Harrie Lemmens citeert Rui Cóias in zijn voorwoord bij de tweetalige bundel Laat de stilte: ‘Om te schrijven heb ik afstand nodig (…). Afstand van mensen en plaatsen, van vaste patronen.’ Deze bedachtzaamheid doortrekt de gedichten. Bij veel dichters krijgt dat iets vervelends, iets opgelegds. Cóias weet zich daaraan te onttrekken. Het heeft te maken met een bijna tot in het oneindige opgerekte concentratie, die hij zichzelf oplegt, alsof hij keer op keer kijkt naar welke woorden hij op welke manier ordent. Doorgaan met het lezen van “Laat ons de stilte meevoeren – over Rui Cóias”

Mieke van Zonneveld en het sonnet

Foto: Keke Keukelaar

Een klassiek gedicht willen schrijven, dat wil zeggen: een gedicht dat zich baseert op lang geleden vastgelegde regels en een vorm die ononderhandelbaar is, lijkt een hachelijke kwestie. De inhoud gaat al snel trekken, alsof die zich plooit naar de ouderwetsheid van de behuizing. De dichter die zich een dergelijke taak oplegt, lijkt op een componist die een sonate wil schrijven naar, bijvoorbeeld, model van Mozart. Waar is de dichter, bij zo veel geschiedenis, zelf? Doorgaan met het lezen van “Mieke van Zonneveld en het sonnet”