In de metro (46): People are ugly

In de metro zitten op dit moment alleen lelijke mensen. Ik bekijk een man die een grijs jasje draagt op een grijze broek. Jasje en broek passen niet bij elkaar. Zijn gezicht is heel lang, de ogen puilen letterlijk uit. Het oogwit is licht-paars geworden. De man draagt versleten, merkloze sneakers. Hij leest niet, hij kijkt niet naar een telefoon, hij wacht. Deze man is nog de minst lelijke van alle lelijke mensen die vandaag in de metro zitten. Ik probeer me op mijn boek te concentreren. Ik wil niet om me heen kijken. Ik wil niet nieuwsgierig zijn. Doorgaan met het lezen van “In de metro (46): People are ugly”

In de metro (45): Berlijn

Ik zit in de metro van Berlijn en ben me daar over-bewust van. Voordat ik in Berlijn was, nam ik me voor over de Berlijnse metro te schrijven. Nu ik er ben, lukt het niet. Ik ben hier een toerist, iemand die de dienstregeling niet van buiten kent, iemand die soms de verkeerde uitgang neemt en dan kilometers om moet lopen, ik ben een niet aan de metro gewende sukkel uit het buitenland – de metro van Berlijn is mij een hoofdbreken. Doorgaan met het lezen van “In de metro (45): Berlijn”

In de metro (44): De metrogangen vullen zich met duisternis

Ik zit in de metro en denk aan mijn vader. Hij is dood. Eigenlijk is hij al dood sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis van Weert op 10 juli 2019. Toch heeft hij vervolgens nog tot 14 juli geleefd. In zijn eigen huis. Doodgaan is moeilijk én gemakkelijk: eerst bereid je je eindeloos voor – een voorbereiding die met angst én een opgeschroefde opgewektheid is gevuld – en dan ga je helemaal alleen dood. Na zijn dood duurde het even voordat zijn familie zeker wist dat hij er niet meer was. We hadden nog nooit iemand dood zien gaan, hoe herken je een gestorven persoon? Zo iemand doet heel weinig.

Tegenover me zit een vrouw in een witte jurk. Het is vandaag 35 graden. De jurk biedt aan de bovenkant inkijk. Ik kijk, en de vrouw draait haar bovenlichaam zo dat ik meer kan zien. We spreken niet. Ze controleert af en toe of ik haar wel bekijk, haalt haar hand door het haar, verschuift een been, – het is een filmscène, straks doen we de deur open van een appartement, struikelen naar binnen, trekken de kleren van elkaars lijf. De vrouw is onderdanig en dominant. Angst en tot barsheid omgevormde gerichtheid op de ander wisselen elkaar af . Ze draagt een enkelband vol bedeltjes, wat niet kan en toch klopt.

Jan Kostwinder had altijd uitgesproken ideeën over poëzie. Het woord poëzie kon hij uitspreken als geen ander, fonetisch werd het zoiets als: po-wèj-sie, dit alles met een Amsterdams accent gebracht. Over die ideeën kon hij eindeloos lang vertellen. Hij begon met een exposé over hoe het niet moest, polemiek was zijn tweede natuur, om daarna over te schakelen op hoe het wel moest. Bewondering was voor hem een vorm van polemiek.

Net als sommige schilders maakte hij verschillende periodes door. Eind jaren tachtig was dat die van de ‘helderheid’. Poëzie moest ‘helder’ zijn, ook voor de gewone man te begrijpen. De dichter moest schrijven wat hij bedoelde, niet wat hij voor poëtisch hield. In zijn debuut Binnensmonds staan de meeste gedichten uit die periode. Sinds ik het boek voor het eerst las, ben ik vooral onder de indruk van:

Tocht

Ik luisterde met mijn handen
aan de spijlen van de box:
u taalde al naar mij.

De metrogangen vullen zich met duisternis
en kraaien. Als een impuls stroom ik door
de zenuwbanen van de stad, ik ben op zoek
naar haar namen, want iemand, niemand
is begraven en ongedoofd aanwezig
in mijn hoofd.

Ik kijk en tuur en gluur in alle gaten
zonder licht, ik ben in alle staten,
steden al geweest en stamel
als een kind dat blind van angst is
en weet dat het niet zal worden geloofd:
mijn vader is dood, mijn vader is dood.

Ik zie nu hoe Kostwinder probeert het geheel dichterlijk te maken, hoe die cursieve zinnen in strofe 1 (niet) werken, hoe hij binnen-rijmt en allitereert. Toch ben ik 31 jaar na het verschijnen van de bundel net zo overtuigd als toen.

De slotzin van het gedicht, met de dubbele uitroep, heeft een aparte ontstaansgeschiedenis. Schrijver René Huigen vroeg aan Kostwinder, na lezing van diens vroege werk, wat hij er nu eigenlijk mee wilde. Jan heeft toen iets gezegd als: Ik wil vertellen dat mijn vader heel vroeg in mijn leven is gestorven. Waarop Huigen antwoordde: ‘Schrijf dát dan op.’ En zo geschiedde. Later zou Huigen in het blad Tzara een ultrakorte recensie over Binnensmonds schrijven: ‘Slecht proza.’ Jan heeft hem zijn hele verdere leven, dat tot 2001 duurde, niet vergeven.

We stappen uit, de vrouw en ik. Bijna naast elkaar lopen we naar de trap. Ze ruikt lekker: bloemen en een beetje zweet. Ik zie haar lichaam en ben me, ondertussen, volledig bewust van het mijne. We leven. Ik leef. Ik wel. We zetten tegelijk een voet op de eerste tree van de trap. We kijken allebei of de ander wel in de buurt blijft.

In de metro (43)

The apparition of these faces in the crowd: / Petals on a wet, black bough. Dit is het gedicht ‘In a Station of the Metro’ van Ezra Pound. Ik sta te wachten op Stodulky. Er loopt een rivier over mijn rug, van de schouderbladen naar beneden. De laptoptas schuurt mijn zij. Ik wil naar huis en ik wil me niet bewegen. Ik wil in een bad vol ijsblokjes gaan liggen. Ik denk aan de man die ik ooit zag in Venetië, een Amerikaanse jood van een jaar of zeventig. Hij hield een whiskyglas omhoog en zei tegen een serveerster: ‘You see this glas?’ Fill it with ice, and then with vodka. To the brim.’ Het meisje zei dat ze geen vodka schonken in die glazen en hij zei: ‘Sure you do.’ Een paar minuten later had hij zijn vodka. Doorgaan met het lezen van “In de metro (43)”

In de metro (42): Bint en Baudet

Sommige mensen verliezen, denk ik, terwijl ik sta te wachten op de metro naar huis, buiten is het dertig graden in de schaduw en ondergronds tien graden kouder, de geur van zweet wandelt als een dronkenlap over de perrons, – sommige mensen verliezen hun vechtlust al voordat ze zijn geboren. Ik zweet, vermoed ik, maar ik durf mijn armen niet op te tillen om onder mijn oksels te ruiken. Ik vertrouw op mijn deo. De zomer is begonnen en mijn lichaam ronkelt van genoegen. Ik vind het fijn als de temperatuur boven de 25 graden komt, de kou is dan echt verdreven. Doorgaan met het lezen van “In de metro (42): Bint en Baudet”

In de metro (40): naar de kapper

In de metro zitten mensen met hardloopkleren aan. Dit weekend wordt een marathon gelopen door de binnenstad. Ik ben onderweg naar de nieuwe kapper. Mijn haar is te lang geworden. Ik lijk wel een hippie. Jammer genoeg is de vaste kapster, die mijn haar de afgelopen jaren in een kapsel veranderde, op een dag verdwenen bij haar werkgever. Zonder een nieuw adres op te geven. Nu ga ik dus voor het eerst naar een nieuwe kapper, ik ben een beetje nerveus. Doorgaan met het lezen van “In de metro (40): naar de kapper”

In de metro (39): Balkenendenorm

Ik zit nu te kort in de metro om goed te kunnen lezen. Dat irriteert me. White van Bret Easton Ellis versnippert op deze manier. Ik lees een bladzijde per keer, elke dag twee of maximaal drie bladzijden – dit wordt een project dat tot in de herfst kan doorlopen. Soms lees ik dan maar helemaal niet en kijk om me heen. ‘Faces look ugly when you’re alone.’ Tegenover me zit een moeder met twee dochters. De meisjes trekken zich niets aan van de vrouw, die steeds wanhopiger probeert om een vorm van gezag te vestigen. Doorgaan met het lezen van “In de metro (39): Balkenendenorm”