Een tijger van papier

Een tijger van papier, die in mijn kasten woont,
leeft averechts, achter de banden waar geen mens
om geeft. Hij voedt zich met geschept papier.
Neemt als dessert wat ruglijm en gerezen wit.
Hij mompelt in zichzelf. Lacht met verbeten ernst.
Op even dagen huilt hij woedend naar de maan.

Maar in zijn nekvel woont een ons zachtmoedigheid,
die soms, vermengd met gal, ineens een vers aanzet.
Hij kijkt ernaar. Hij ziet wat regels maatvast gaan.
Een tijger van papier breekt zich het hoofd. Dat duurt
maar een gedicht. Dan zet hij weer zijn tanden in
de banden die hij, ernstig, één voor één verscheurt.

– Voor Gerrit Komrij, bij zijn 66e verjaardag –

Tzum 49 was gewijd aan Gerrit Komrij. Ik droeg een beschouwing bij, die inmiddels online te lezen is, en bovenstaand gedicht.

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’*

Voor de familie Nicolich en Jan van der Valk

Nergens ben ik thuis, behalve in hotels en grote huizen.
Mijn smaak: die van een lekkerbek. Vandaal van hart,
maar met een kern van suikergoed. Het haar zo zwart
als toermalijn. Ik ben de dichter die voor u een lied,

een lofzang of een in memoriam zal schrijven. Kijk: 
de camping is al leeg. Het huis gesloopt. De kamer
als door een tornado leeg geveegd. Ik schrijf u helemaal
aan gort. Mijn zinnen als gitaarsnaren zo strak.

Tot slot: hier is de rekening. U kunt die desgewenst
voldoen in maandelijkse porties. Ja, die lege plek,
daar moet uw signatuur. Daar komen we dan samen,
na wat overleg, adviesgewijs, zonder veel moeite uit.

* Citaat: J.J. Slauerhoff

Gedicht Europees Kampioenschap

Tijdens het Europees Kampioenschap voetbal zendt Cultura gedichten uit die speciaal voor het toernooi zijn geschreven (en in het Olympsch Stadion van Amsterdam opgenomen). Aan het woord komen onder meer P.F. Thomése, Henk Spaan, Anna Enquist, Tsead Bruinja, Ingmar Heytze en Ellen Deckwitz. Mijn bijdrage gaat over de Poolse wonderspits Grzegorz Lato (en over mijn vader):

Grzegorz Lato, WK 1974

Mijn vader speelde in de spits: kaal en onopvallend.
Gevangen in een vreemde wereld. Dat uiterllijk: drie
modes in de min. Die altijd in zichzelf gekeerde blik.

Het was mijn vader die tegen Haïti scoorde, of tegen
Joegoslavië. Hij juichte ingetogen: arm omhoog en op
een draf weer naar de middenstip. Hij scoorde vaak.

De beelden die ik achtendertig jaar te laat echt zie
zijn van een ander mens: de mode heeft hem ingehaald,
het beetje haar wuift zwierig naar één kant. Mijn vader

scoort wel zeven maal op één WK. Zelfs tegen Brazilië.
Veel mooier is het nooit geweest. Veel mooier
gaat het nooit meer worden. Mijn vader, Grzegorz Lato,

samen, elk aan één kant van hun IJzeren Gordijn.

© Chrétien Breukers

Foutje, bedankt

– I.M. Rijk de Gooyer –

Vanavond ga ik klimmen naar de toren van de Dom.
Mijn voeten zijn niet moe. Dat is voorgoed voorbij.
Dáár is de Singel waar ik ben geboren. Dáár de kroeg
Waar ik bij leven kwam. Ik kijk richting het westen,

Richting Amsterdam. Een lange blik die de twee steden
Als een as verbindt. Ik speelde foute Duitsers, patsers
Sacherijnig volk en opa’s, op den duur. Maar deze rol
lijkt zwaarder: minder tekst en zeker geen publiek.
Vanavond loop ik net boven de trappen weer omlaag

En maak een rondje door het wijk. Daar zijn ze ook:
De mensen die ik heb gekend. De buurtkomiek. De kapper
Die je haar zo netjes in een scheiding leggen kon.
Het is hier stil en niemand zegt gedag. Ik trap een kiezel

Voor me uit. Straks komen Anton Geesink en Berkien
Me halen in een auto van de zaak. Dan gaan we weg.
Op stap. Met veel: met Johnny, Maarten en de Olieman.

Het leven zonder uit de taxi weggemieterd kalf
Is erger nog dan zinloos: het is half…

© Chrétien Breukers

Gedicht Una Giornata Rosa

Vanmiddag las ik tijdens het literaire programma Una Giornata Rosa onder meer onderstaand gedicht voor:

Saronni drinkt een kop koffie bij Graaf Floris

Niemand herkent hem hier; de studente Sociale Geografie
aan wie hij vertelt dat hij Beppe heet, moet lachen;
ze komt uit Friesland en deelt hem mee dat Beppe daar
op oma slaat. Saronni is een beetje droevig. Hij herinnert

zich de machtige sprint waarmee hij Milaan – San Remo
naar zich toetrok. Hij denkt aan de twee rondes van Italië
die hij won, aan de studentes (en dan echte studentes,
geen studentes Sociale Geografie) die zich verdrongen
voor zijn hotelkamerdeur. Hij was nog niet getrouwd.

Zijn heupen zijn nu zachter, maar de honger naar de
overwinning is nog niet geblust. De studente leest
een gedicht van Ingmar Heytze voor. Wat een land!
Dichters die een renner kloppen, ruim vóór de meet.
Saronni schudt het hoofd en denkt aan zijn pensioen.

Gedicht 5 mei, Roermond

“Tijdens de Nationale Dodenherdenking houdt winnaar van de PC Hooftprijs, K. Schippers, de 4 mei-voordracht en spreekt de minister-president bij het Nationaal Monument op de Dam. Oud premier Wim Kok spreekt de volgende dag in Roermond de 5 mei-lezing uit. De 13 Bevrijdingsfestivals gaan traditiegetrouw om 13.00 uur in het hele land van start. De Nationale Viering van de Bevrijding wordt afgesloten door het Limburgs Symfonie Orkest met het 5 mei-concert op de Amstel.”

In Roermond, waar de viering van 5 mei dit jaar begint, wordt het thema op bijzondere wijze belicht. In de stad zullen meters hoge witte doeken komen te hangen met kwatrijnen waarin het thema ‘vrijheid, vrij zijn, vrede’ wordt verwoord. De gedichten zijn speciaal voor deze dag geschreven door 25 dichters, onder wie Wiel Kusters, Emma Crebolder, Ton van Reen, Jos Versteegen, Frans Budé, Frits Criens en Quirien van Haelen.

Zelf schreef ik

Vrede

Laat die verhalen over 40-45 nu maar zitten. De oorlog
is een hongerige slokop met te veel geduld. Vertel eens
over bloemkoolwolken boven een vernielde stad. Geef ons
heden weer een dikke krant. En een boterham met vrede.

Schatbewaarder

Dat was gezellig: cellen in de modder.
Maar u moest zo nodig naar het vaste land.
Meercellig worden. Groeien. Hersens krijgen.
Ledematen. Sierlijk haar. U wilde huizen bouwen.

Klei en leem, baksteen en beton. Metropolen
maken, breken, tekenen. U werd geschiedenis.
Zo levend, wrekend, zo bijzonder en banaal.
Daar liet u het vervolgens niet bij zitten.

Uw landschap werd cultuur. De mens
geen moordenaar of jager meer, maar boer
of stedeling. Ik ben uw dichter en ik breng
vandaag al die hoedanigheden bij elkaar.

In de jaren die mij nog gegeven zijn, leg ik
uw leven vast. Ik breng uw biografische gegevens
op een website bij elkaar. Ik leg u, nogmaals,
vast. In dit heelal. In melkweg, zonnestelsel

en op aarde. Ik breng u naar Europa, Nederland.
Naar Utrecht. Naar de grens tussen De Bilt
en Utrecht-Stad. Ik blader de kalender naar 2009.
26 november. De tijd: zo ongeveer half een.

En laat u nooit meer gaan. Ik breng u in een
diepe slaap. Ik prik u op. Zorg dat bederf geen vat
op u kan krijgen. U, geschiedenis. Klik erop
en kijk: dit was vandaag. U, mijn collectie,

ik, uw onverbiddellijke schatbewaarder.

© Chrétien Breukers, 26 november 2009

Gelegenheidsgedicht voor een “inspiratiebijeenkomst” van Erfgoed Utrecht. Geschreven op Landgoed Oostbroek. Daarna kreeg ik de griep, maar dat is gewoon toeval.

Steenkoolijs

Een mand vol steenkool stookten we, maar
onze ijstijd kwam toch dichterbij.

Mijn vader had geen lucht. De kou kroop
in zijn botten naar omhoog.  Longslag.

Roet, die witte was vergrijsde, sloeg
op onze woning. Maar het baatte

ons niet meer. Ons lijf bevroor terstond;
grote, zwarte  blokken kolenijs.

© Chrétien Breukers; bij: Wiel Kusters, Hoofden, Querido, 1981; en dan met name bij het titelgedicht >>

Vaders

Vaders hebben donkere gedachten.
Leren koffers vol papierwerk. Maagzuur
als het avond wordt. Vaders hebben praats
voor tien na elven, schateren het hardst
om woordspel, liefst van eigen makelij.
Zie: aan hun ledematen en hun romp
zit touw, waarmee men wordt bewogen. Uit
zichzelf bewegen doen ze niet. Vaders
zijn van weinig buigzaam materiaal
het resultaat. Maar lijken op zichzelf
en scheppen daar voortdurend vreugde in.
Vaders zijn zichzelf genoeg. Knekelmans
speelt op de achtergrond viool: een lied
dat vaders donkere gedachten geeft.

© Chrétien Breukers

Veldeke de warrige

Veldeke verhaspelt alles rond Servaas.
Hij strooit wat zand over de letters, droomt
over zijn goede werk in Tongeren. Een ziel
stijgt rein ten hemel, maar hij ziet het niet.

Hij denkt. Zijn minnelied is bijna af. Kijkt
naar het uitzicht dat zijn raam hem geeft
en zucht als hij aan haar, zijn Muze, denkt.
Herinneringen aan zijn jeugd. Lavina en

Eneas dringen zich ontroostbaar aan hem op.
Een bruiloftslied. De stichting van een rijk,
bijvoorbeeld in Maastricht. Hij schrijft.
En voelt zich als een standbeeld zo versteend.

© Chrétien Breukers