Adam Zagajewski (en de Boekenweek)

Uit: Slight Exaggeration, Adam Zagjewski, translates by Clare Cavanagh, MacMillan

Still in Paris: a warm, damp January. In the subway cars, many passengers read thick novels, even at peak hours when the reader’s head is encircled by the crowds of those who couldn’t get seats. Paris is, after all, the capital of the novel. Writing and reading novels is a serious business in this city. Patrons of the subway and the vast suburban railroads require enormous quantities of reading matter monthly. As the publishing houses know full well: they churn out new volumes nonstop. The great bookstores, for example the famous FNAC chain, then erect little shrines devoted to specific novelists, shrines built around a photograph of a given author, which is then encased by stacks of books … As in Proust, who describes Parisian bookstores after Bergotte’s death: he compares the fictional writer’s books to angels with outstretched wings, keeping watch over their maker’s soul. In Proust, though, this is a rare and marvelous moment—but for exclusively commercial reasons. And these novels, written with an eye to subway riders and suburban commuters, are quickly forgotten. New books appear. They’re rarely read twice. The bookstalls by the Seine overflow with thousands of yellowed novels from the last fifty or eighty years, novels that had their brief moment of fame, but must now soak and freeze beneath the naked sky—their fate isn’t much better than that of the clochards. Books of poetry, not to mention the poets themselves, are a different matter in Paris. True, you do sometimes come upon the same posters with brief poems in the subway cars that you find in New York, but hardly anyone seems to notice; they’re engrossed in their thick novels. (Once in Germany, when I presented my theory about easily forgotten novels, my neighbor at the dinner table hissed, ’Das ist Kulturpessimismus!’).

Fragment uit Het laatste testament van Frans Kellendonk

Er verschijnen zo verschrikkelijk veel vervelende biografieën (hier een paar voorbeelden noemen) dat het boek Het laatste testament van Frans Kellendonk van Arie Storm, hoewel geen ‘biografie in de strikte zin van het woord’, positief opvalt. Het boek heeft een sympathieke omvang, 144 bladzijden, en benadert de in een levensbeschrijving te vangen schrijver en zijn werk heel origineel, je moet soms even denken aan het boek over Gogol van Vladimir Nabokov. Een schrijver, overigens, waar Frans Kellendonk niet zo van hield, en Arie Storm wel.

Het boek is misschien geen biografie, het is wel een biografische roman, of een roman met biografische elementen, – het is een tekst, zoals er in het begin, niet zonder huivering, wordt gesteld. Het woord tekst is na de jaren zestig en de nouveau roman, en na de structuralisten, een beetje in de verdomhoek terecht gekomen, wat ik persoonlijk jammer vind. Ik vind het wel een fijn woord, tekst. Het geeft een naam aan het experimentele en het onvoltooide, iets waar Storm zich op zijn minst toe aangetrokken moet voelen.

De echte vondst van het boek, waarop het geheel (de tekst) werd gebaseerd, is dat Storm de stem van Kellendonk reconstrueert. Hij laat de overleden schrijver tot ons spreken, in een biografie die zich als roman heeft vermomd, of andersom, en via de woorden die Storm aan het scherm toevertrouwt. De stem kan ook over Arie Storm spreken, uiteraard, wat een aantal interessante passages oplevert waarin Kellendonk vertelt wat Storm vindt van de stand van zaken in de Nederlandstalige literatuur. Er komen een paar vaste boksballen tevoorschijn (Arthur Japin natuurlijk, Saskia Noort, Adriaan van Dis…), er wordt gemopperd over schrijvers die het vak niet serieus genoeg nemen, er is, kortom, genoeg te genieten in deze ‘confrontatie’ tussen de dode Kellendonk en de springlevende Storm.

Ik had het boek tot nu toe overgeslagen, en weet niet meer waarom. Na lezing ervan had ik meteen zin om weer eens door het Het complete werk van Kellendonk te bladeren.

Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Het laatste testament van Frans Kellendonk

Fragment uit: The Argonauts van Maggie Nelson

Maggie Nelson schrijft in alle genres, over alles. Ze beschrijft de manier waarop haar proza tot stand komt zo (in dit interview): Usually I do a lot of reading or research until something takes possession of me. I think of research like throwing lots of crap in a cauldron — bones, feathers, blood, everything — and turning up the heat: eventually it has to come to a boil. (Whether you make something edible is a different question.) Or, let me put it this way: Often a baby in a subway station will scream back at a loud train hurtling through. If you send a train of information hurtling through your brain often and fast enough, and if the train screeches loudly enough, you may eventually find yourself yelling back.

The Argonauts is een boek over een grote liefde, over het krijgen van een kind én over de grens tussen verschillende genders, een grens die diffuus is en op allerlei manieren kan worden overschreden. Daarnaast is het boek een ode aan de (feministische) literatuur. Ik heb nu drie boeken van Nelson gelezen, naast The Argonauts nog The red parts en Bluets. Alledrie boeken die je kijk op literatuur van het ene moment op het andere omgooien en toch helderder maken. Zó kun je dus, óók, schrijven. Schrijven alsof je leven en je lichaam ervan afhangen. Want zo is het, of hoort het te zijn. Nelson maakt in één klap een einde aan een heleboel van die fijnzinnige romans, ‘au fond dieppsychologische romans’ bijvoorbeeld, vol met verhalen, over ‘het oude Europa’- romans die bedoeld zijn om de lezer met zoiets als ‘empathie’ op te zadelen. Het proza van Nelson is het mes op de huid. Doorgaan met het lezen van “Fragment uit: The Argonauts van Maggie Nelson”

Het eerste hoofdstuk van Kokoro van Soseki Natsume / Natsume Soseki / 夏目 漱石

Lezen is spoorzoeken. Ik las Romanschrijver van beroep van Haruki Murakami, waarin de Soseki Natsume een paar keer voorkomt. Wie is hij? Hij is, of was een Japanse schrijver, net als Shusaku Endo, waar ik sinds vorig jaar door gegrepen ben. Niet alle Japanners zijn hetzelfde, natuurlijk, maar de combinatie Japan/Murakami/schrijver-die-hij-noemt maakte me nieuwsgierig. Ik sloeg Kokoro open, in een Engelse vertaling, en was meteen verkocht. Zijn manier van vertellen is, net als die van Endo, heel ‘rustig’, en toch volg je wat hij schrijft ademloos, alsof er aan de lopende band van alles gebeurt. Wat niet zo is. De speurtocht naar zijn andere boeken is begonnen. Hieronder eerst de opmerkingen van Murakami over Soseki Natsume, daarna het eerste hoofdstuk uit Kokoro, in de vertaling van Meredith McKinney.

‘Op dezelfde wijze is de schrijfstijl van Soseki Natsume en van Ernest Hemingway nu klassiek. En ook die dient als referentie. Soseki en Hemingway werden door hun tijdgenoten eveneens vaak bekritiseerd om hun stijl en bij momenten zelfs bespot. Nogal wat mensen (velen van hen lid van de toenmalige culturele elite) voelden ook een sterk onbehagen bij hun stijl. Maar vandaag de dag fungeert die stijl dus als een standaard. Als de door hen uitgewerkte stijl niet had bestaan, zou de hedendaagse Japanse en Amerikaanse roman er naar mijn gevoel enigszins anders hebben uitgezien. Om nog een stapje verder te gaan: misschien is de stijl van Soseki en Hemingway wel geïncorporeerd als deel van de Japanse, respectievelijk Amerikaanse psyche.’

‘In de Japanse literatuur heb je Soseki Natsume. Zijn romanpersonages zijn echt boeiend, omdat ze zo rijkgeschakeerd zijn. Ook figuren die slechts eventjes verschijnen, zijn levensecht en hebben hun eigen speciale présence. Eén woord, één gelaatsuitdrukking of één gebaar van zo’n figuur kan merkwaardig genoeg een blijvende indruk nalaten in je hart. Wat ik bij het lezen van Soseki’s romans altijd zo bewonder, is dat er bijna nooit een personage in voorkomt als noodoplossing, een figuur van wie je denkt: die laat hij verschijnen omdat hij hier nu eenmaal zo’n figuur nodig heeft. Zijn romans zijn niet bedacht en geconstrueerd met het hoofd. Ze voelen erg zinnelijk aan. Elk stukje tekst is bij wijze van spreken betaald met zuurverdiend geld. Zulke romans hebben iets wat ze volledig geloofwaardig maakt. Je kunt ze met een gerust gemoed lezen.’ Doorgaan met het lezen van “Het eerste hoofdstuk van Kokoro van Soseki Natsume / Natsume Soseki / 夏目 漱石”

Fragment uit Romanschrijver van beroep door Haruki Murakami

Het duurde even voordat ik tot Haruki Murakami werd bekeerd. Het leek me een bezoeking, het lezen van die platgeslagen boeken. Tot ik op een dag ‘niks te lezen’ had en Kafka on the shore kocht. Ik was… onder de indruk. Ik ben nooit echt een aficionado geworden, maar ik lees nu wel af en toe een boek van hem, meestal in het Engels. Het heeft wat, die mengeling van dromen, verhalen, semi-filosofische beschouwingen en gemijmer over het verleden, muziek en nog van alles. Murakami schrijft heel erg effectief, en hoewel hij soms dingen zegt waar de gaten in je sok van dichttrekken, zo irritant: echt lang boos kun je nooit op hem zijn.

In Romanschrijver van beroep probeert Murakami terug te keren tot de bronnen van zijn schrijverschap. Echt het achterste van zijn tong laat hij niet zien. Dat lijkt hij gewoon niet te willen. Hij bouwt vrolijk voort aan de mythe die hij om zichzelf heen bouwde, een mythe die aan elkaar hangt van onverklaarbare maar zeer sterke drijfveren, berekening en eindeloos veel (Japanse?) distantie. Mooi is de manier waarop hij beschrijft hoe hij, dankzij een bijna goddelijke ingeving, tot het schrijverschap kwam. Hij bezocht een honkbalwedstrijd en dacht, toen er een mooie bal werd geslagen, ‘oké, misschien kan ik ook wel een roman schrijven.’ Te mooi om waar te zijn en daarom waarschijnlijk waar.

Dat deed hij vervolgens. Maar het ging niet zomaar: Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Romanschrijver van beroep door Haruki Murakami”

Fragment uit: Twee zomers van Erik Orsenna

Een meanderende roman, zo wordt Twee zomers van Erik Orsenna, vertaald door Marijke Arijs, op de website van uitgeverij Vleugels genoemd. Dat klopt, en klopt niet. Ik vind de roman meer iets weg hebben van de golfslag om een eiland; het is dan ook niet toevallig, denk ik, dat het verhaal zich op een eiland in Frankrijk, of voor Frankrijk, afspeelt. Waar dat verhaal over gaat? Dat is een interessante vraag, waar ik niet helemaal antwoord op kan geven.

We maken kennis met een voormalige minnaar of lieveling van Jean Cocteau die op het eiland bezig is met de vertaling van Ada van Vladimir Nabokov. Omdat hij jaar in jaar uit de deadline niet haalt, wordt de hulp ingeroepen van alle eilandbewoners en eilandgasten die Engels spreken. We maken kennis met vaste eilandbewoners, met een mevrouw De Saint-Exupéry, met meneer Fernández, met de postbode en twee oma’s, die Marguerite en Colette heten; we volgen de periode van twee zomers, waarin het iedereen wel, of misschien toch niet, lukt om Ada vertaald te krijgen. We maken, ook, kennis met een ik-persoon en met een uit het gehate Parijs overgekomen assistent-uitgever, die het manuscript aan de vertaler(s) probeert te ontfutselen.

Het verhaal is, wil ik maar zeggen, niet zo 1, 2, 3 samen te vatten. Aan het eind weet je nog niet wat je precies gelezen hebt, waardoor je het boek gelukkig moet herlezen. De roman is er gewoon, ongeveer zoals een eiland nergens begint en nergens eindigt en toch een grens heeft. Een cirkel van twee seizoenen groot. Twee zomers is een heerlijk boek!

Oh ja. Er wordt een mooie ‘traditie’ beschreven, die iets te maken heeft met het vangen van schaaldieren én met het loslaten van allerlei hinderlijke gewoontes, het claustrofobische leven op een eiland eigen. Een letterlijke uitbraak dus. Dat is het onderwerp van het hieronder gegeven fragment:  Doorgaan met het lezen van “Fragment uit: Twee zomers van Erik Orsenna”

Oudejaarsdagverhaal: Geen fragment uit Transit

Als ik aan de dood denk, zie ik mijn vroegere achterbuurman Jan voor me. Hij is het gras in een wei aan het maaien met de zeis. Het is een wat vet aangezet beeld, een cliché in wezen, dat ik ongetwijfeld heb gecomponeerd uit een overvloed, mij ooit aangereikt of opgedrongen of via een film wijsgemaakt. Het is ook een vredig beeld. Er hoort een mooi, repeterend geluid bij, de lange grassprieten vallen per bos op hun zij. Straks drogen ze uit en worden ze voer voor de konijnen, al had Jan geen konijnen, maar daar gaat het hier niet om. Ik wilde alleen vertellen dat mijn persoonlijke oerbeeld van de dood is samengebald in hem, terwijl hij het gras in een wei maait. Die zeis was, overigens, zelfs in mijn jeugd al een anachronisme. Waarschijnlijk maaide hij een stuk gras om mij te laten zien hoe dat ging, ooit, het maaien met dat ding. Doorgaan met het lezen van “Oudejaarsdagverhaal: Geen fragment uit Transit