In de metro (46): People are ugly

In de metro zitten op dit moment alleen lelijke mensen. Ik bekijk een man die een grijs jasje draagt op een grijze broek. Jasje en broek passen niet bij elkaar. Zijn gezicht is heel lang, de ogen puilen letterlijk uit. Het oogwit is licht-paars geworden. De man draagt versleten, merkloze sneakers. Hij leest niet, hij kijkt niet naar een telefoon, hij wacht. Deze man is nog de minst lelijke van alle lelijke mensen die vandaag in de metro zitten. Ik probeer me op mijn boek te concentreren. Ik wil niet om me heen kijken. Ik wil niet nieuwsgierig zijn. Doorgaan met het lezen van “In de metro (46): People are ugly”

In de metro (45): Berlijn

Ik zit in de metro van Berlijn en ben me daar over-bewust van. Voordat ik in Berlijn was, nam ik me voor over de Berlijnse metro te schrijven. Nu ik er ben, lukt het niet. Ik ben hier een toerist, iemand die de dienstregeling niet van buiten kent, iemand die soms de verkeerde uitgang neemt en dan kilometers om moet lopen, ik ben een niet aan de metro gewende sukkel uit het buitenland – de metro van Berlijn is mij een hoofdbreken. Doorgaan met het lezen van “In de metro (45): Berlijn”

Twee recensies op Extaze

Op de website van Extaze staan twee nieuwe recensies die ik schreef: op het boek Valwind van Peter Veen en op De dag van de Opritsjnik van Vladimir Sorokin. Over Sorokins boek was ik te spreken, Veens boek bood geen fijne leeservaring. De volledige tekst van de recensie op Sorokin staat hier >> Een citaat:

Ik voel geen huiver bij het idee dat de Opritsjnik ook in Nederland zou kunnen gaan huishouden. Daarvoor is hij te veel een figuur uit een stripverhaal – en verdomd, dat is dit boek van Sorokin: een goed weglezend prettig stripboek, vol plaatjes van een boef voor wie je, ondanks alles, enige sympathie moet koesteren.
Sorokin schreef een literair amusementsboek. Een paradox. Dus alles bij elkaar is het toch een kunststuk.

Derde blog voor Extaze: De cultuur is een schimmenspel geworden

Op 28 juli van dit jaar (2019) werd Remco Campert negentig jaar. Reden voor de VPRO om een ‘ode’ aan de vereerde meester uit te zenden. Die ode werd opgefleurd met muziek, waarbij de VVD-jazz van Benjamin Herman de grote blik- of oorvanger was, en naast de muziekmensen deden the usual suspects mee.

In Campert’s geval wordt de spoeling van vrienden en collega’s dunner en dunner. Van die beperkte kring waren Jan Mulder, Kees van Kooten en Ramsey Nasr vertegenwoordigd: twee grapjassen en een acteur. Toch leek het de bedoeling dat de kijker de indruk kreeg met iets literairs van doen te hebben. Gelukkig werd Nasr weggedraaid voor hij kon beginnen te spreken, misschien was dat het literaire.

Lees verder op de website van Extaze >>

Een roadmovie (met Kathy Acker) – het begin

© Robert Mapplethorpe

Juli 1983. Ik ben achttien en net van de middelbare school. Mijn lichaam is ongevormd, bijna haarloos, ik ben op zoek naar een vorm. Ik ben een libido dat naar binnen slaat. Niemand ziet me. Mijn huid is niet alleen een beschermende laag om mijn lijf, zij is een schild tussen mij en de buitenwereld — hoewel, is er een buitenwereld, en zo ja, waar is die? Doorgaan met het lezen van “Een roadmovie (met Kathy Acker) – het begin”

In de metro (44): De metrogangen vullen zich met duisternis

Ik zit in de metro en denk aan mijn vader. Hij is dood. Eigenlijk is hij al dood sinds zijn ontslag uit het ziekenhuis van Weert op 10 juli 2019. Toch heeft hij vervolgens nog tot 14 juli geleefd. In zijn eigen huis. Doodgaan is moeilijk én gemakkelijk: eerst bereid je je eindeloos voor – een voorbereiding die met angst én een opgeschroefde opgewektheid is gevuld – en dan ga je helemaal alleen dood. Na zijn dood duurde het even voordat zijn familie zeker wist dat hij er niet meer was. We hadden nog nooit iemand dood zien gaan, hoe herken je een gestorven persoon? Zo iemand doet heel weinig.

Tegenover me zit een vrouw in een witte jurk. Het is vandaag 35 graden. De jurk biedt aan de bovenkant inkijk. Ik kijk, en de vrouw draait haar bovenlichaam zo dat ik meer kan zien. We spreken niet. Ze controleert af en toe of ik haar wel bekijk, haalt haar hand door het haar, verschuift een been, – het is een filmscène, straks doen we de deur open van een appartement, struikelen naar binnen, trekken de kleren van elkaars lijf. De vrouw is onderdanig en dominant. Angst en tot barsheid omgevormde gerichtheid op de ander wisselen elkaar af . Ze draagt een enkelband vol bedeltjes, wat niet kan en toch klopt.

Jan Kostwinder had altijd uitgesproken ideeën over poëzie. Het woord poëzie kon hij uitspreken als geen ander, fonetisch werd het zoiets als: po-wèj-sie, dit alles met een Amsterdams accent gebracht. Over die ideeën kon hij eindeloos lang vertellen. Hij begon met een exposé over hoe het niet moest, polemiek was zijn tweede natuur, om daarna over te schakelen op hoe het wel moest. Bewondering was voor hem een vorm van polemiek.

Net als sommige schilders maakte hij verschillende periodes door. Eind jaren tachtig was dat die van de ‘helderheid’. Poëzie moest ‘helder’ zijn, ook voor de gewone man te begrijpen. De dichter moest schrijven wat hij bedoelde, niet wat hij voor poëtisch hield. In zijn debuut Binnensmonds staan de meeste gedichten uit die periode. Sinds ik het boek voor het eerst las, ben ik vooral onder de indruk van:

Tocht

Ik luisterde met mijn handen
aan de spijlen van de box:
u taalde al naar mij.

De metrogangen vullen zich met duisternis
en kraaien. Als een impuls stroom ik door
de zenuwbanen van de stad, ik ben op zoek
naar haar namen, want iemand, niemand
is begraven en ongedoofd aanwezig
in mijn hoofd.

Ik kijk en tuur en gluur in alle gaten
zonder licht, ik ben in alle staten,
steden al geweest en stamel
als een kind dat blind van angst is
en weet dat het niet zal worden geloofd:
mijn vader is dood, mijn vader is dood.

Ik zie nu hoe Kostwinder probeert het geheel dichterlijk te maken, hoe die cursieve zinnen in strofe 1 (niet) werken, hoe hij binnen-rijmt en allitereert. Toch ben ik 31 jaar na het verschijnen van de bundel net zo overtuigd als toen.

De slotzin van het gedicht, met de dubbele uitroep, heeft een aparte ontstaansgeschiedenis. Schrijver René Huigen vroeg aan Kostwinder, na lezing van diens vroege werk, wat hij er nu eigenlijk mee wilde. Jan heeft toen iets gezegd als: Ik wil vertellen dat mijn vader heel vroeg in mijn leven is gestorven. Waarop Huigen antwoordde: ‘Schrijf dát dan op.’ En zo geschiedde. Later zou Huigen in het blad Tzara een ultrakorte recensie over Binnensmonds schrijven: ‘Slecht proza.’ Jan heeft hem zijn hele verdere leven, dat tot 2001 duurde, niet vergeven.

We stappen uit, de vrouw en ik. Bijna naast elkaar lopen we naar de trap. Ze ruikt lekker: bloemen en een beetje zweet. Ik zie haar lichaam en ben me, ondertussen, volledig bewust van het mijne. We leven. Ik leef. Ik wel. We zetten tegelijk een voet op de eerste tree van de trap. We kijken allebei of de ander wel in de buurt blijft.