In de metro (30): Fernando Pessoa en Harrie Lemmens

Ik zit voor mijn laptop en denk aan de metro. Lijn B, de gele lijn. Dat is voor mij nu al meer dan twee jaar de hoofdader van Praag, alles wat ik normaal gesproken moet doen begint of eindigt in lijn B. Linka. Ik lees een gedicht van Fernando Pessoa, in de vertaling van Harrie Lemmens, een verre neef van Fernando:

Rubayiat

De zinloos lange dag wordt langzaam nacht.
De eeuwige hoop die wederom niets bracht
vervliegt… Het leven is een dronken schooier
wiens hand van eigen schaduw geld verwacht.

Wij slapen door de wereld, en de warrig grote
massa van de dingen houdt ons vast omsloten.
Dromen; en beschonken mensendrommen
volgen leeg elkander op als lotgenoten.

Pijn komt na genot, genot komt weer na pijn.
Wij drinken wijn omdat we blij en vrolijk zijn,
of drinken wijn vanwege pijn of uit verdriet.
Maar nooit blijft er iets over van de wijn.

Pessoa zie ik altijd als een Martinus Nijhoff waar ze het geloof uit hebben gehaald en de zon op gezet. Ze beschikken over dezelfde technische beheersing, maar Pessoa is lichter en hij heeft nog iets meer oog voor het experiment. Zijn oeuvre is, gelukkig, niet verzand in het bigotte gemurmel waar de latere Nijhoff onder leed. Nederlandse dichters zijn op den duur altijd de lieveling van God en Koningshuis, een gruwelijk einde.

Het lijkt een klein gedicht, dit ‘Rubayiat’. Een rubāʿī is een Perzische dichtvorm (een kwatrijn), en dit zijn drie rubāʿiyy. Je hebt er weinig aan om het te weten. Toch is het zo. Pessoa heeft ongetwijfeld al die drinkliederen van Omar Khayyam gelezen, al die ‘wijsheden’. Het is een gedicht om te glimlachen van wijsheid (maar de dichter zou tegenwoordig eerder een ‘oude blanke man’ worden genoemd die een beetje vrolijker moet gaan doen, wil hij nog een kans hebben bij de meisjes, al vraag ik me af of Pessoa wel van meisjes hield), waar Pessoa een extraatje aan toevoegt.

Er is namelijk geen andere dichter die ik ken, die zo voortdurend aan het zelf-beschrijven is, geen dichter die zo vaak (vruchteloos) formuleert waar het hem precies om gaat. Dat deed hij in zijn heteromieme gedichten (veilig verborgen achter een masker) en in zijn ortonieme gedichten die ik nu lees, onder de titel Een spoor van mijzelf. Ik betwijfel of Pessoa dat spoor vond. Hij moest er zo veel voor schrijven, dat de kruimels de weg terug naar hemzelf waarschijnlijk onmogelijk hebben gemaakt. ‘Ik ben gek en heb in mijn geheugen / een verre, dubieuze herinnering / aan een of andere onbezonnen leugen / die ik als kind ooit uit mijn dromen opving.’

Wat ik me afvraag is: hoe zou Pessoa het in de metro hebben gevonden? Hadden we niet ooit samen een reisje kunnen maken, een station of vier, vijf, om te beginnen?

Zelden las ik een dichter die zo drastisch is afgesneden van de andere mensen en van zichzelf – Pessoa is werkelijk de koning van de eenzaamheid. Het lawinegelijke oeuvre dat hij bij elkaar schreef, in relatief korte tijd, hij werd maar zevenenveertig, was niet in staat om die eenzaamheid af te dekken, aan het oog te onttrekken, op te vullen: ‘Ik draag in mij een soort damp / die niets is en niets bevat, / heimwee waaraan ik me vastklamp, / een verlangen naar iets, maar wat?’ Veel schrijnender kun je het bijna niet formuleren.

Of jawel, het kan: ‘Mijn lichaam is de kloof tussen mijzelf en mij. (…) Omdat de zielen gescheiden zijn / zijn de lichamen de droom van de brug / over een kloof die niet eens randen heeft. (…) De tijd verstrijkt. Maar mijn droom is van mij.’ Of: ‘Daarom schrijf ik te midden van / wat niet nabij is, het meest / verwijderd van mijn plan, / iets wat nooit is geweest. / Voelen? Voelen moet wie het leest!’

Pessoa en ik in de metro. Ik stel het me wel eens voor. Misschien had hij me niet gemogen, of andersom. Best mogelijk. Dichters zijn lang niet aardig, zeker niet tegen elkaar. Het is niet zozeer een kwestie van eenzaamheid, het is een kwestie van onvermogen. De meeste dichters zijn alleen maar dichter in hun werk. Als persoon zijn ze een lege handschoen, een leeg harnas op zijn best. Hugo Claus zei ergens (en ik kan niet vinden waar, helaas): Vertel aan een dichter dat je vader net is overleden en hij zal je vragen hoe je zijn laatste bundel vindt. Dat zijn dichters.

Waarschijnlijk hadden we op verschillende banken gezeten, onwetend van elkaars bestaan. Gelukkig, want nu kan ik zijn werk lezen. Keer op keer. Samen met Paul van Ostaijen en Rainer Maria Rilke en Emily Dickinson en Walt Whitman en nog een paar dichters kan hij me in elk geval niet snel vervelen. Hij is een echte dichter. Dat is hij vooral geworden omdat hij niet wist wie hij was, en omdat hij op een dag dacht: Kom, laat ik eens proberen op te schrijven waarom niet. Toen begon de lawine te schuiven.

Ik ken het onderstaande gedicht van buiten. Soms zeg ik het in mezelf op, als ik in de metro zit. De slotregel laat ik dan weg. Vooral de regels 8 tot en met 10 en 13 en 14 kan ik elke keer bijna niet verdragen. Anders dan in ‘Rubayiat’ is de wijn hier misplaatst. De wijn moet hier in de laatste regel verdoven wat niet te verdoven is, omdat het er altijd is en omdat het altijd weg is. Die wijn is een toevoeging van iemand die poëtisch wil doen, iets wat Pessoa toch niet nodig had lijkt me zo. Waarschijnlijk heeft hij beseft dat perfecte gedichten niet bestaan. Daarom voegde hij een mooie, maar zinloze slotregel toe aan het perfecte gedicht dat hij desondanks had geschreven.

Er zijn ziekten die erger zijn dan alle ziekten,
er is pijn die geen pijn doet, niet eens in de ziel,
maar die sterker is dan elke andere pijn.
Er zijn gedroomde angsten die echter zijn
dan de angsten die het leven ons brengt, gevoelens
die we alleen in onze verbeelding ervaren
maar die meer van ons zijn dan ons eigen leven.
Er is zoveel dat zonder te bestaan
bestaat, aanhoudend bestaat,
en aanhoudend van ons is…
Boven het vuile groen van de brede rivier
de witte v’s van de meeuwen…
Boven de ziel het zinloze gefladder
van wat nooit was en niet kan zijn en alles is.

Geef me nog wat wijn, want het leven is niets.

 

Een spoor van mezelf, een keuze uit de orthonieme gedichten, Fernando Pessoa, samengesteld, vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens, De Arbeiderspers, 2019

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s