Remco Campert schrijft een gedicht over de Notre-Dame

Remco Campert zit in zijn werkkamer. Waarom ook weer? Iemand stelt de vraag. Remco neemt een slok rode wijn. Oh ja. Hij wil een gedicht schrijven over de Notre-Dame, die in brand is gevlogen. Bijna helemaal vernietigd. Hij zag het op het nieuws, samen met zijn vrouw. Die heeft hem naar boven gestuurd, naar zijn eigen verdieping, om er iets over te schrijven voor de krant. Met die vervelende traplift omhoog. Schuifelend naar de werkkamer. Gedachten die almaar afdwalen en weg willen.

Er zit al een vel papier in de schrijfmachine. Remco gaat op de stoel die ervoor staat zitten en zucht. Parijs. Hoe vaak is hij er in zijn leven geweest? Heel vaak. Als jonge man al. Alleen of met een geliefde. Dwalend door de straten, het Quartier Latin, de oevers van de Seine, het donkerhuidige meisje in Café de Flore, hoe heette ze ook alweer? – Marie, ze heette Marie. Maria. De moeder van Jezus, grondlegger van het katholicisme. Oh ja. De Notre-Dame. Remco zucht. Hij typt:

we liepen op de trappen
van het heiligdom
en lachten
nieuwe heidenen

Ja. Dat is een goed begin. Krachtig. Hij wil eigenlijk niks schrijven. Hij denkt: ‘Maar de kranten willen het anders, willen droog en zwart van koppen staan, werpen dammen op en dwingen rechtsomkeert.’ Mooie regels. Ze komen hem bekend voor. Zal hij die gebruiken? Ze zakken alweer in zijn geheugen weg. Hij kijkt ze nog even na. Ze storten in en lijken er nooit te zijn geweest, net als de toren van de Notre-Dame. Oh ja.

Later, ik was alleen in het paradijs
met dromen over vrienden en een glas
pastis

Een glas pastis. Daar zou hij nu wel zin in hebben. Hij ziet het glas rode wijn staan en neemt een slok. Hij kijkt naar de regels die hij typte en zucht. Ooit was hij een jonge dichter. Een bevlogen dichter. Daarna werd hij een schrijver. Vervolgens een monument. Een monument dat om de paar jaar volledig moest worden gerenoveerd. Werelderfgoed. ‘Nu ben ik oud en moe en lijkt de definitieve ondergang nabij. Misschien is dat wel beter. Waarom moet alles voor eeuwig blijven bestaan? Het is er geweest, en dat is genoeg.’

Marie was de engel van Parijs. De mooiste vrouw uit de jaren vijftig. Alle Vijftigers kunnen dat beamen, maar alle Vijftigers zijn dood. Remco Campert denkt aan zijn dode vrienden. Wie zal als laatste over blijven? Of is hij al de laatst-overgeblevene? Misschien leeft Marie nog en denkt ze aan die Nederlandse dichters van vroeger, die morsige Hollanders. Misschien kijkt ze wel naar de televisie en ziet ze de beelden van die brandende kerk, hoe heet die ook alweer?

we liepen op de trappen
van het heiligdom
en lachten
nieuwe heidenen

later was ik alleen in het paradijs
dromen over vrienden en een glas
pastis bij de hand, Marie die naast
me zat en lachte om gebroken Frans

maar nee, we liepen op de trappen
van de notre-dame
we liepen naar de toekomst
we wisten van de toekomst

en die toekomst is voorbij

Remco Campert draait het vel papier uit de typemachine en staat op. Hij schuifelt opnieuw naar de traplift. Mompelend. Waarom mag hij geen werkkamer beneden, dat zou echt een heleboel ellende schelen. Hij probeert te gaan zitten. Dat gaat net niet goed, hij komt met zijn linkervoet op de trap terecht, zwikt en begint te vallen. De trap af. ‘Dat duurt nog best lang, zo’n val,’ denkt Remco Campert terwijl hij valt. ‘Te lang eigenlijk.’ Remco Campert komt neer en kreunt. Zijn vrouw rent de gang in en schrikt. ‘Wat is er gebeurd?’ vraagt ze. ‘Altijd die trap,’ zegt Remco. Dan wordt het stil.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s