In de metro (37): Piet Schoenmakers

We staan stil op station Lužiny. Altijd als dat het geval is kijk ik naar de palmboom die wordt omgeven door een glazen boomvorm, waarin glas-in-lood-elementen zijn opgenomen. Het heeft iets futuristisch’, waarschijnlijk is het een kunstwerk. Daarnaast verwijst het naar het verleden, naar de kunst uit de jaren zestig en zeventig: optimistische werken, felle kleuren, elementaire vormen, beton en staal. Het beton en het staal: werkende, levende materialen waar na een paar jaar vlekken op komen, roestplekken. De kunst valt uit elkaar waar je bij staat. Het werk op station Lužiny twijfelt tussen verleden en heden en is daarom onderwerp van een diepe, onproductieve, elke keer opborrelende melancholie.

Kort geleden bezocht ik een overzichtstentoonstelling van het werk van Piet Schoenmakers in de ECI Cultuurfabriek in Roermond. Ik ken Roermond niet goed, en heel diep van binnen sluimert een vooroordeel; toch was het de stad van mijn eerste antiquariaat (Boom), mijn eerste schouwburg (de Oranjerie) en mijn eerste, nou ja, dat is een ander verhaal. Schoenmakers heeft half Nederland vol met beelden gezet. Het was de tijd waarin kunstenaars dat deden, bij scholen, bij openbare gebouwen, overal waar de B.K.R. (of één of andere andere regeling) kon toeslaan, sloeg zij toe. Ik herinner me de ophef over een beeld van Piet Killaars, in het centrum van Weert, daar neergezet eind jaren zeventig. Waarom? Ik heb geen idee waarom en het staat er ook niet meer. Elke keer als ik in Weert ben en door het centrum loop, denk ik: Dáár stond het beeld van Piet Killaars. Iedereen vond dat beeld kut en daarom vond ik het mooi.

Op een bijzetwand hingen foto’s van het werk van Schoenmakers dat niet te zien was op de tentoonstelling. Eén van die foto’s bleef ik bekijken, er was iets mee, het beeld dat erop werd afgebeeld deed me denken aan een onthoofde kip, of een onthoofde patrijs, ik wilde er niets mee te maken hebben en voelde, heel diep, het kwam niet uit het heden, dat gevoel, het kwam uit het verleden, ik voelde het verlangen om de kip te omhelzen, om op de rug van die kip te gaan zitten, mijn handen om de hoofdloze hals geslagen, wachtend, wachtend op iets. Ik kénde dat beeld. Ik wist alleen niet waarvan. Elke keer als ik het bijna wist, maakte mijn geheugen slagzij en dreef ik weg, weg van dat gevoel, weg van dat beeld. Het was verbonden met het optimisme uit de jaren zestig en zeventig, het was mijn eigen kennismaking ermee. Het beeld was iets, en ik werd er gek van dat ik me niet te binnen kon brengen wát.

Inmiddels weet ik het. Of denk het te weten. Dat herinner ik me op station Lužiny. Ik weet niet of ik het fijn vind dat ik het (waarschijnlijk) weet. De wetenschap heeft me voor een poos teruggebracht naar een tijd die ik nog steeds verwarrend vind. Een tijd die is als drijfzand, of een andere ondergrond waar je geen fundament in kunt leggen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s