De Kasteelweg in Baexem

Ik ben in Baexem. Daar ligt, aan de Kasteelweg, een crematorium. In Baexem kun je weinig doen, maar je kunt er dus wel iemand laten cremeren. Als ik de straat in word gereden door een schoolvriend uit de jaren zeventig en tachtig, denk ik: Volgens mij bén ik hier al eens geweest. Het duurt even en dan weet ik het. Ik was er inderdaad. Bijna vijf jaar geleden; niet in het crematorium, maar wel in het aan de Kasteelweg gelegen Kasteel van Baexem. Met Leonie. We waren uitgenodigd voor een cultureel weekend. Ik moest er voorlezen. We waren heel erg verliefd. Doorgaan met het lezen van “De Kasteelweg in Baexem”

In de metro (36; in de taxi naar Den Haag)

Met F* zit ik in de taxi naar Den Haag, na een optreden van The Wild Romance zonder Herman Brood. Het was een afdeling in de krochten van de melancholie, naar de derde of vierde ring van de hel. Soms is het beter om je je jeugd je jeugd te laten en soms is het goed om er even in rond te kijken. Ik heb Coach Van Dijk voor het begin van het concert trekkebenend door een zaal zien lopen, zoekend naar iets. Doorgaan met het lezen van “In de metro (36; in de taxi naar Den Haag)”

Adam Zagajewski (en de Boekenweek)

Uit: Slight Exaggeration, Adam Zagjewski, translates by Clare Cavanagh, MacMillan

Still in Paris: a warm, damp January. In the subway cars, many passengers read thick novels, even at peak hours when the reader’s head is encircled by the crowds of those who couldn’t get seats. Paris is, after all, the capital of the novel. Writing and reading novels is a serious business in this city. Patrons of the subway and the vast suburban railroads require enormous quantities of reading matter monthly. As the publishing houses know full well: they churn out new volumes nonstop. The great bookstores, for example the famous FNAC chain, then erect little shrines devoted to specific novelists, shrines built around a photograph of a given author, which is then encased by stacks of books … As in Proust, who describes Parisian bookstores after Bergotte’s death: he compares the fictional writer’s books to angels with outstretched wings, keeping watch over their maker’s soul. In Proust, though, this is a rare and marvelous moment—but for exclusively commercial reasons. And these novels, written with an eye to subway riders and suburban commuters, are quickly forgotten. New books appear. They’re rarely read twice. The bookstalls by the Seine overflow with thousands of yellowed novels from the last fifty or eighty years, novels that had their brief moment of fame, but must now soak and freeze beneath the naked sky—their fate isn’t much better than that of the clochards. Books of poetry, not to mention the poets themselves, are a different matter in Paris. True, you do sometimes come upon the same posters with brief poems in the subway cars that you find in New York, but hardly anyone seems to notice; they’re engrossed in their thick novels. (Once in Germany, when I presented my theory about easily forgotten novels, my neighbor at the dinner table hissed, ’Das ist Kulturpessimismus!’).

Denk Goethe

Ik sla mijn ogen op en zit naast Laura op de achterbank van een taxi. De chauffeur ruikt naar koffiebonen en bedorven hooi. Veevoeder, uit een kuil. Laura kijkt naar het scherm van haar telefoon en is niet blij. Je kunt bijna meteen terecht, zegt ze als ze ziet dat ik wakker ben. Waar kan ik terecht, vraag ik. Bij de Spoedeisende Hulp. Ik eis geen spoed, zeg ik. Kijk nou maar uit, zegt ze. Straks zijn dat je laatste woorden. Denk Goethe. Doorgaan met het lezen van “Denk Goethe”

Thierry Baudet en de klassiek-wording van Menno Wigman

De zon was mij nooit opgevallen als hij niet / steeds onderging. Geen lucht, geen flonkering, geen hoop. / Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd? Dit is de slotstrofe van ‘Afscheid van mijn lichaam’, een gedicht van Menno Wigman. De eerste volle zin werd gisteren door Thierre Baudet geciteerd in zijn speech na de verkiezingswinst van het FvD. In dezelfde speech zegt Baudet dat Nederland wordt ondermijnd door mensen die kunstsubsidies krijgen, en Menno Wigman kreeg kunstsubsidies, dus waarom hij toch kan worden geciteerd door Baudet is me een raadsel – maar dat is een ander verhaal. Doorgaan met het lezen van “Thierry Baudet en de klassiek-wording van Menno Wigman”

In de metro (35): Claire Goll

In de metro begin ik Alles is ijdelheid van Claire Goll voor de tweede keer te lezen. Afgelopen vrijdag had ik het voor het eerst uit. Daarna slingerde door mijn flat en zwierf het over mijn bureau op kantoor. Iemand heeft een post-it in het boek geplakt: ‘Hier beginnen’, gevolgd door een emoticon van een gezichtje met de tong half naar buiten. Ik kijk onder het gele blaadje en lees:

Ze bezat een hele verzameling zwepen, knuppels en karwatsen en naargelang de straf die ze in de zin had koos ze zorgvuldig wikkend en wegend een van die instrumenten uit. Dan volgde een verhandeling om de kwaliteit te roemen van het kweltuig dat ze voor mijn gezicht heen en weer zwaaide: ‘Hier heb ik een zweep met dunne en deugdelijk gevlochten riemen… Iedere millimeter van je huid zal de slagen voelen… Er zijn tenminste nog fatsoenlijke handwerkslieden met hart voor hun werk die het verschil tussen een zweep en een plumeau kennen… Maar je bent zo arrogant dat ik beter deze karwats kan gebruiken… In de kern zit een wilgentwijg, dan komen de slagen harder aan, dan striemt het meer… Misschien probeer ik ze wel allebei; dan kunnen we zien wanneer je het hardste loeit.’

Doorgaan met het lezen van “In de metro (35): Claire Goll”

Rouw in Leaving Neverland

Ik kijk naar Leaving Neverland en heb geen mening. Sterker: ik doe mijn best om geen mening te hebben. Het is allemaal al treurig en droevig genoeg zónder mijn mening. Tegen het eind van deel 1 komt een eenzaamheid aan bod waar mijn maag van samenkrimpt. De twee mannen die ooit door Michael Jackson zeggen te zijn misbruikt, vertellen over hun gevoelens toen ze werden ‘ingeruild’ of ‘gedumpt’. Van het ene moment op het andere waren ze plotseling niet meer de uitverkorene, werden ze opzij gezet omdat Jackson een nieuwe favoriet had, een ander mooie knaap. Dat zorgde, bij allebei de jongens, voor een vorm van rouw, liefdesverdriet. Een verdriet dat tegenwoordig nog steeds niet helemaal weg is. Hoe klein en jong ze ook waren, hoe absurd de situatie waarin ze zich bevonden ook was: ze leden omdat de persoon van wie ze allebei hielden hun op afstand hield, of begon te houden. Ze lijden nu ze volwassen zijn en erover vertellen onverminderd. Deze passage grijpt me aan. Het is een eenzaamheid die je je niet kunt voorstellen, als je haar zelf niet hebt doorstaan. Heel even wordt het verhaal echt ondraaglijk.