Carnaval (uit: Een zoon van Limburg)

In maart 2014 verscheen Een zoon van Limburg. Daarin staat een hoofdstuk over carnaval, het feest dat het zuiden van Nederland dit weekend opnieuw treft. Hieronder het (bewerkte) hoofdstuk.

Voetnoot: sommige dingen veranderen, in vijf jaar. Ik zie dat ik het in mijn tekst over Mart Smeets heb, en wie weet nog wie dat is? Hij is van de televisie verdwenen, ook al leek hij decennia lang net zo hardnekkig als psoriasis of huidschimmel. Sic transit gloria mundi.

Carnaval

De carnavalsgroet (rechterhand als in een gekruist saluut niet naar de rechterslaap maar, in een diagonaal voor het hoofd langs, naar de linkerslaap gebracht), driemaal achter elkaar voltrokken onder het roepen van het woord ‘alaaf’, vormt een mysterie dat mij al meer dan dertig jaar bezighoudt.
Waarom doen volwassen mensen dat, tijdens carnaval?
Het is het negatief van het saluut dat soldaten uitbrengen, en daarom ludiek, maar er gaat tegelijkertijd een dreiging van uit: ‘Lach of ik schiet.’ Volwassen mensen die drie dagen lang, of langer, in deze handbeweging volharden, zijn humoristisch en eng tegelijk. Volwassen mensen, die door het jaar heen normaal doen, veranderen drie dagen van het jaar in, ja, in wat? In mensen die ánders doen.

Maar laat ik bij het begin beginnen.
Ergens in het midden van de jaren zeventig, ik zat nog op de lagere school, werd er bij ons in het gemeenschapshuis een carnavalsmiddag voor ‘de jeugd’ belegd. Van ‘de jeugd’ zelf werd actieve participatie verwacht. Daarom gaven een schoolvriend en ik ons op. Om mee te doen. We hadden nog geen flauw idee met wat, maar dat zouden we later wel zien.
De weken voorafgaand aan de carnavalsmiddag vulden we al onze vrije uren met het instuderen van een ‘komische schets’, die we in een ons door mijn opa ter hand gesteld boek vol met eenakters hadden aangetroffen.
Ik heb geen flauw idee meer waar die schets over ging.
Mijn opa, letterlijk stokdoof, vormde het enige publiek tijdens onze repetities. Volgens hem ging het ‘heel goed’. Ondanks zijn handicap stelden wij een groot vertrouwen in hem. We moesten zelf in elk geval erg lachen, om onszelf.
De grote dag naderde. Mijn vriend en ik verfijnden onze timing, voegden enkele grappen van eigen makelij in en zochten onze toneelkostuums bij elkaar. Mijn vriend droeg een oude overall van zijn vader, gecombineerd met een hoofddoek van zijn oma en rijlaarzen. Ik had het trouwkostuum van mijn opa van zolder gehaald.
Ons publiek zou versteld staan.

De carnavalsmiddag was op een woensdag. Het hele gemeenschapshuis zat vol met ‘de jeugd’ van het dorp. Ouders kwamen in die tijd nog niet naar dit soort bijeenkomsten. Ze werkten. En als zij niet werkten, kwamen ze toch niet. Gelukkig maar, overigens. De scheve toestand dat er op lagere scholen soms meer ouders dan kinderen rondlopen, was toen nog onbestaanbaar.
Mijn vriend en ik – verkleed, geschminkt en nerveus – zaten op de eerste rij en lieten het programma op ons inwerken. Er was muziek, van een zaate hermenie (een soort dweilorkest). Er was een buutreedner (een soort cabaretier of stand-upcomedian) die eindeloos flauwe grappen vertelde.
De dansmarietjes dansten en de jeugdfanfare speelde carnavalsliedjes.
Rond een uur of vier waren mijn vriend en ik aan de beurt. Zenuwachtig maar dapper werkten we ons door de ingestudeerde grappen heen. Na grap drie, waar weer niet om werd gelachen, begon een van de leden van de raad van elf zich ermee te bemoeien. Na elke punchline sprong hij tevoorschijn en riep drie keer ‘alaaf’, daarbij het gebaar richting de linkerslaap makend.
Mijn vriend en ik raakten helemaal uit onze concentratie. Dat niemand om ons lachte, hadden we niet gemerkt. Maar de almaar tevoorschijn springende man die het publiek tot lachen maande, konden we onmogelijk negeren. Elke keer wreef hij ons drie keer onder de neus dat we niet leuk waren. Ons optreden ging uit als een nachtkaars.

Sinds die gebeurtenis kan ik het woord ‘alaaf’ niet horen, of ik denk aan die middag. Niet aan wat de carnavalsgroet behelst en niet aan de afkomst van het woord (uit het Keulse dialect of van het Jiddische woord ‘aluv’?).
Het is een ontregelende groet, gebruikt tijdens de drie dagen die carnaval duurt, door een volk dat helemaal niet op ontregelen is ingesteld. Het is een anarchistische toets op een niet-anarchistische ziel, de Limburgse. Het is de zotskap op de Limburgse gebruiken en gewoonten. Het is een knipoog, maar wel een die net op het verkeerde moment gegeven wordt.

Daarnaast maakt het woord ‘alaaf’, uitgebruld door volwassen mensen, altijd een bijna onverdraaglijke vorm van plaatsvervangende schaamte in mij wakker. Ik kán het niet aanzien, een in jacquet geklede man met een narrenhoed op, het hoofd rood van de drank, zijn gezicht richting de almaar doorkolkende massa: ‘alaaf, alaaf, alaaf’, ondersteund door de zaate hermenie en de rest van de zaal; het is alsof je Mart Smeets bezig ziet, maar dan erger.
Ik kán hem niet teruggroeten, ik kan niet, net als de rest van de mensen, driemaal mijn rechtervingertoppen richting mijn linkerslaap brengen. Het is niet uit principe, het is onmacht. Ik kan mij niet verliezen in die roes. Ik kan mij niet opwerken naar een stemming waarin ik mij, buiten eigen wil om, verlies in een collectiviteit. Die plaatsvervangende schaamte steekt daar voor eeuwig een stokje voor.
Mij is het, en dat is allemaal begonnen met die ‘alaaf’ roepende man, onmogelijk om carnaval te vieren. Midden in de massa voel ik mij verloren, niet opgenomen. Hoe meer er gedronken wordt, hoe nuchterder ik me weet. Ik ben geen rasindividualist, verre van, maar carnaval kan alleen in een mij buitensluitende massaliteit worden ondergaan. Een massaliteit die op veel mensen een grote aantrekkingskracht uitoefent, blijkbaar.
Elke keer als er ‘alaaf’ wordt geroepen, keer ik me af. Ik wil dat niet, maar het gebeurt. Onherroepelijk.

Het zegt iets over Limburg en de Limburgers, dat gebaar. Want een Limburger vindt zichzelf namelijk iemand die ‘tegen’ is, of ‘dwars’, een Limburger hoort er niet bij, maar hij laat dat niet heel duidelijk merken. Een Limburger zegt ‘ja’ en doet ‘nee’. Dat is een cliché van formaat, maar het is wel waar. ‘Alaaf’, dat is de reikwijdte van zijn door hemzelf gekoesterde verzet.
Daarin speelt ook mee dat een Limburger zich, stiekem, beter voelt dan de rest van de Nederlanders, sorry, ‘Hollanders’. De Limburger onderscheidt zich door wat hij zelf voor humor houdt, door zijn met humor gekruide vorm van verzet, dat in de loop van de jaren tot het carnavalsfeest is gestold.
Eén keer per jaar laat hij alle remmingen varen en is hij gewoon dwars, dan zegt hij ‘nee’ en doet hij ook ‘nee’. Niet uit dwarsigheid, maar omdat het mag. Omdat zijn dwarsheid door het carnavalsfeest wordt gesanctioneerd. Buiten die drie dagen om zal hij wel vaker dan drie keer nadenken voordat hij in verzet treedt.
Maar het ‘alaaf’ ligt hem de rest van het jaar als een slapende vulkaan ergens in een verre hersenkwab. Of beter: als een pil die het bittere jaar zal vergulden op de tong. Achter op de tong, welteverstaan.
Juist daarom, omdat ik het hele jaar door dwars wil zijn, uit een verzetsdwang die ik niet kan beteugelen tot drie dagen per jaar, staat het carnaval me tegen. Dat ik geen aanleg heb voor het houden van humoristische voordrachten, een frustratie die tijdens een carnavalsfeest diep in de jaren zeventig begon, heeft daar hopelijk niets mee te maken.

© Chrétien Breukers

Een gedachte over “Carnaval (uit: Een zoon van Limburg)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s