In de metro (32)

In het metrostation, vlakbij de doorgang naar de roltrappen, ligt een man op de grond. Hij stinkt, hij is oud en hij bloedt. Naast hem staat een veiligheidsbeambte die hem vragen stelt. Hij geeft geen antwoord. Hij veegt bloed uit zijn gezicht met een paar servetjes van bakkerij PAUL. Ik blijf staan om te kijken. Ik vertrouw de beambte niet. Misschien is hij degene die de man zijn bloedende hoofdwond bezorgde. Dat lijkt niet te kloppen. Er komen twee ambulancebroeders naar beneden. Ze voegen zich bij de beambte en vragen aan de zwerver — je kunt wel zeggen dat de man er als een zwerver uitziet, en dus, zeer waarschijnlijk, een zwerver is — wat er met hem aan de hand is. Het gaat špatný. Ja, dat hadden we al gezien.

Ik heb een boek in mijn hand. Can’t and won’t van Lydia Davis. Ik neem het mee als ik met de metro ergens heen moet. Davis schrijft heel korte verhalen. Die zijn gemakkelijk te lezen tussen een paar haltes. Soms schrijft ze lange verhalen. The Letter to the Foundation, dat ik nu lees, is bijna dertig bladzijden lang. Ik doe er al vijf metroreizen mee. Het verhaal, voor haar doen extreem lang, lijkt nóg langer te worden door de vele reistijd die ik eraan besteed. Alsof de reistijd het verhaal doet uitzetten en de begrenzing ervan (bijna dertig bladzijden) verdwijnt en plaats maakt voor een ruimte die bijna oneindig is. De ultrakorteverhalenschrijfster Davis wordt plotseling een reus, iemand die mijn metroreizen in beslag neemt.

De ambulancebroeders klappen een draagbaar uit en willen de bloedende man erop leggen. Hij weigert. Ze beginnen te proberen om hem op te tillen. Het gaat zo moeizaam als de voorgaande zin eruitziet. De broeders blijven het proberen. De man blijft weigeren. Er vallen harde woorden. Er wordt een beetje tegen de man geduwd. Hij schopt één van de broeders, die zijn scheenbeen vervolgens een paar minuten masseert. De veiligheidsbeambte praat in zijn telefoon. Hij lacht. Ik probeer erachter te komen wat er precies te lachen is. Ondertussen moeten er mensen naar de metro en moeten er mensen naar boven, naar de stad, weg van de eindeloze verhaalruimte die me zo meteen weer overweldigt. Allemaal kijken ze voor zich uit of naar beneden, ergens vlak voor hun voeten.

Een bloedende man, een veiligheidsbeambte, twee ambulancebroeders, een kleine man uit een ver land — big deal.

Ödön von Horváth

Ödön von Horváth was once walking in the Bavarian Alps when he discovered, at some distance from the path, the skeleton of a man. The man had evidently been a hiker, since he was still wearing a knapsack. Von Horváth opened the knapsack, which looked almost as good as new. In it, he found a sweater and other clothing; a small bag of what had once been food; a diary; and a picture postcard of the Bavarian Alps, ready to send, that read, ‘Having a wonderful time.’

Een gedachte over “In de metro (32)

  1. Ik heb beeld. In de Parijse metro roken Jan en ik iemand in verregaande staat van ontbinding. Was het de clochard die laveloos uitgestrekt over twee bankjes lag? Of was het de invalide man met 1 been die voor dood in zijn rolstoel hing? We zullen het nooit weten. De stank was onverdraaglijk, en inderdaad: niemand slaat er acht op.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s