Fresh Up – een novelle

In 2016 verscheen mijn novelle Fresh Up bij Marmer. Inmiddels is het boek ‘niet meer op voorraad’ bij het Centraal Boekhuis. Het restant werd door de papiermolen gehaald. Dat is heel goed, want de exemplaren die zijn verkocht, worden zo een zeldzaamheid. De inhoud van het boek heb ik herzien, en die staat – als extreme long read – hieronder. Gratis en voor niets. Het copyright van de tekst berust bij mij. Overname van fragmenten mag, mits met bronvermelding. 

Fresh Up

VANOCHTEND WERD IK wakker na een lange wandeling door mijn geboortedorp. De huizen, die ik allemaal kende, stonden leeg, de mensen negeerden me en leken me niet te zien. Zelf bleef ik stom, en de ontzetting over wat me overkwam werd zo groot dat ik opschrok en de vormen van mijn slaapkamer begon te herkennen.
Ik knipperde een paar keer met mijn ogen en keek opzij. Daar, op de rand van mijn bed, zat iemand. Mijn opa van vaderszijde droeg zijn hoornen leesbril, die als altijd scheef op zijn neus stond. In zijn linkeroor zat het oortje van zijn gehoorapparaat. Zijn grijze haren waren achterovergekamd, als de manen van een leeuw op leeftijd. Bij leven droeg hij het korter.
In het borstzakje van zijn colbert stak een Papermate-pen, waarmee ik hem jarenlang zijn kruiswoordpuzzels had zien invullen. Die pen was vroeger het object van mijn begeerte; later, als ik groot was, en schrijver, wilde ik ook een Papermate-pen, waarmee ik mijn boeken, met hetzelfde gemak als waarmee hij die puzzels oploste, zou schrijven.
‘Hoe kom jij hier terecht?’
‘Dat is een goede vraag jongen, die ik niet kan beantwoorden.’
Ik ging op mijn linkerzij liggen en wilde mijn opa aanraken. Hij weerde me af.
‘Nee, nee, dat kan niet. Nog niet. Maar, ik ben hier niet voor niets.’
Hij knipte met de vingers van zijn rechterhand (ik herinnerde me ineens hoe ik vroeger, toen hij oud werd en de spieren van zijn handen het deels begaven, zijn vingernagels knipte, met een schaartje dat hij in een van zijn laden bewaarde, en hoe ik soms een verkeerde bocht nam en in zijn vlees terechtkwam, waarna hij begon te vloeken, gevolgd door een welgemeend ‘dat geeft niks, jongen’) en had ineens een van mijn boeken vast.
‘Heb je dat gelezen?’
Ik schaamde me meteen voor mijn vraag en besefte tegelijkertijd dat mijn opa was gestorven voordat ik iets had gepubliceerd en dat ik, vanaf het moment dat mijn eerste boek uitkwam altijd had gewild dat hij iets van mij had kunnen lezen. Dat deze wens nu leek uit te komen, maakte me van het ene moment op het andere gelukkig.
‘Ja jongen. Ik heb de eeuwigheid, en die duurt lang. Ik heb al je boeken gelezen. Daarom, mede daarom, ben ik nu hier. Ik heb je er het een en ander over te vertellen. Over je boeken én over je leven.’
Ik zag dat het boek in zijn hand ‘gebruikssporen’ droeg, zoals een antiquaar het zou noemen. Er zaten ezelsoren in. Op het omslag zag ik een paar vlekken. Koffie. Rode wijn? Zou hij er, met zijn Papermate, in hebben geschreven? Mogelijk. Een bibliofiel was mijn opa nooit geweest.
‘Ik heb alles van je gelezen en ik wil er iets over zeggen. Maar dat komt later wel, als het tijd is.’

MIJN OPA ROOK heel lekker, naar pijptabak, vermengd met een lichaamsgeur die door het dagelijkse douchen van tegenwoordig is uitgestorven, een geur die was opgebouwd uit talgachtige mengsels en zweet, niet altijd op tijd geluchte of gestoomde kleding en een aftershave die eerder goedkoop dan effectief was, Fresh Up of Old Spice. Een opalucht waarin zelfs de koffie die hij ’s ochtends zette, en die hij op een waakvlam liet indikken, een rol speelde.
Het was een geur waar ik gelukkig van werd, en die ik na zijn dood nog een half jaar af en toe opsnoof als ik zijn kledingkast opende. Daarna verdween de geur, maar de herinnering eraan heb ik altijd bewaard, en ik werd er opnieuw gelukkig van. Een geluk dat bestond uit twee delen geborgenheid en één deel melancholie.
Een keer per week, op zaterdagmiddag, ging mijn opa onder de douche. Hij vroeg mij om een handdoek te pakken, en een washand, en dan gooide hij die handdoek over zijn rechterschouder. De washand deed hij om zijn linkerhand, als een handschoen, en als hij dan was opgestaan van zijn stoel vuurde hij in die paar minuten een aantal mededelingen op me af die varieerden van ‘opa gaat douchen’ tot ‘ik geloof dat de buren bezoek hebben, want er staat een andere auto op de oprit’ tot ‘eigenlijk ben ik nog helemaal schoon, maar het is goed om je regelmatig te douchen’ en ‘zet jij zo meteen een kop thee voor opa, want opa heeft altijd dorst na het douchen’.
Mijn opa sprak vaak over zichzelf in de derde persoon, alsof hij een personage was dat interessant genoeg was om voortdurend van commentaar te voorzien. En hij was erg zelfverzekerd. Als er bijvoorbeeld een goede kennis bij hem op bezoek was geweest, zei hij: ‘Het is een knappe man. Altijd al geweest. Hij was vroeger bijna net zo knap als ik.’ Hij meende het: mijn opa vond zichzelf een knappe, de knapste (intelligentste) man.
Om de twee dagen schoor ik zijn gezicht, met het moderne driekopsapparaat van Philips, een karwei waar ik van gruwde en van hield, en waar ik nu soms naar terugverlang. Het duurde een halfuur, want elke keer als ik het apparaat van zijn gezicht haalde, zocht hij met zijn lange, slanke handen naar overgebleven stoppels, die hij dan vond, en dan moest ik die stoppels en het hele gebied eromheen opnieuw scheren, ‘voor de zekerheid’. Mijn ergernis negeerde hij, ‘je wil toch niet dat opa er voor evenveel bijloopt?’ Af en toe kreeg ik een gulden, als dank voor mijn werk.

HIJ ZAG ER goed uit. Zijn pak, bij leven soms glimmend, omdat hij het tegen de instructies van mijn moeder en de stomerij in met het strijkijzer bewerkte, was iets beter in orde dan vroeger; het was op het chique af, en de stropdas zat mooi recht onder zijn nek, precies tussen de twee helften van zijn halsboord; zijn gezicht was glad, de huid gezond, niet zo rood en met levervlekken bedekt als in zijn laatste jaren. In zijn broek zaten niet die uitgelubberde knieën waaraan hij zich altijd stoorde, omdat kleermakers ‘hun vak niet meer verstaan’.
Niemand verstond zijn vak, wat mijn opa betrof, dat kwam door de moderne tijd, waarin de waarden die hij zelf had gekoesterd overboord waren gezet, zonder voor iets deugdelijks te worden ingeruild.
‘Oude mensen mogen hun stokpaardjes hebben. Jij bent nu ook veel ouder, wedden dat je binnen tien jaar ook zo wordt?’
‘Ik heb ze al.’
‘Zie je. Dat vindt opa fijn.’
Plotseling besefte ik dat mijn opa me verstond, terwijl hij bij leven volledig doof was. Nu antwoordde hij zonder vijf keer ‘wat?’ te schreeuwen en zonder dat ik mijn vraag op een kladblaadje hoefde uit te schrijven.
‘Waarom heb je je gehoorapparaat in? Je hoort me gewoon.’
‘Dat is omdat jij een beeld van me hebt, en ik kan niet anders dan me daaraan aanpassen.’
‘Zit je er dan altijd zo bij?’
‘Natuurlijk niet. Ik zit er meestal helemaal niet bij. Alleen nu, even. Laten we daarom opschieten. Ik heb dan wel de eeuwigheid, maar niet hier, op deze plek.’

MIJN OPA WOONDE bij ons in huis omdat hij weduwnaar was. In 1955 stierf zijn vrouw, mijn oma, de moeder van mijn vader. In 1963 trouwden mijn ouders, na vijf jaar verkering te hebben gehad, en ze betrokken het huis dat ze tegenover het ouderlijk huis van mijn vader hadden laten bouwen. Opa woonde toen ineens alleen in die grote boerderij, samen met mijn jongste tante – maar die ging bij de nonnen in Thorn werken.
Alleen wonen ging blijkbaar niet. Daarom trok opa eind november 1963 in bij mijn ouders, bij wie hij nog bijna achttien jaar heeft gewoond, tot vlak voor zijn dood in 1981. In 1965 werd ik geboren.
Ik was dol op hem en ik ergerde me bijna dagelijks aan hem. De manier waarop hij zijn koffie dronk, slurpend, bijna bijtend op de vloeistof. De smakgeluiden die hij maakte bij het eten, geluiden die werden versterkt door zijn altijd iets klepperende gebit.
Lang kwaad op hem zijn lukte me niet.

MIJN OPA LIEP door de slaapkamer, keek in de boekenkast die naast het bed staat, zette het boek dat hij in handen had erin, opende de kledingkast en hield de mouw van een van mijn jasjes even tussen duim en wijsvinger. Daarna liep hij naar de twee balkondeuren. Hij trok een van de paarse gordijnen open, een baan stof werd zichtbaar, en keek naar buiten, naar de wirwar aan tuinhuisjes en achtertuinen.
‘Hoe een mens het in een stad uithoudt, het is me een raadsel. Je kunt geen kant opkijken. Overal stenen, en maar een paar groene vlekjes’, zei hij.

MET OPA SPRAK ik regelmatig, op onze eigen manier. Met mijn vader heb ik maar twee keer, bijna, een gesprek gevoerd.
De eerste keer was ik ongeveer acht. Ik mocht altijd opblijven om naar Colditz te kijken, een serie over een groep Britse krijgsgevangen die uit Schloss Colditz, waarin ze geïnterneerd waren, wilden ontsnappen.
Mijn vader en ik waren de enige twee die ernaar keken: opa en mijn moeder sliepen al. De sensatie dat ik nog niet naar bed hoefde, bracht een ongewone intimiteit tussen mijn vader en mij teweeg die me aantrok en waar ik tegelijk bang voor was.
Ik herinner me weinig van die serie. Wel weet ik nog dat ik soms dacht: waarom willen die mensen vluchten? Ze hebben het helemaal niet slecht in dat kasteel. Het is geen concentratiekamp. Ze krijgen te eten en te drinken. Mogen de hele dag rondlummelen. Beetje lezen. Beetje samenspannen tegen de vijand. Zo was de oorlog toch geen straf? Ik vond het niets in vergelijking met de vreselijke verhalen die ik in de boeken uit de schoolbibliotheek had gelezen.
Maar die mannen moesten per se naar huis, oorlog voeren tegen de Duitsers, opnieuw oorlog voeren, opnieuw gevangen genomen worden, of sterven.
Na een van de afleveringen drentelden mijn vader en ik nog wat door de kamer. We poetsten onze tanden in de keuken, controleerden of alle deuren op slot waren en wisselden wat tekst uit. Mijn vader ging naar de wc, ik ook, en toen hij bijna het licht in de keuken uit wilde doen, hij had de klink van de deur al in de hand, draaide hij zich naar me toe en vroeg of ik gelukkig was.
Ik schrok. Het was niet een vraag die mijn vader ooit zou stellen. Ik had nog nooit over die vraag nagedacht.
Mijn vader zag dat ik in de war was en lachte.
‘Toen ik begin twintig was, kreeg ik tbc’, zei hij. ‘Dat betekende: naar het sanatorium en kuren. Niet even, een paar weken, maar drie jaar, in mijn geval. Stilliggen, frisse lucht inademen, luisteren naar de nonnen die precies wisten wat goed voor je was en wat niet.’
Ik kende het verhaal. De gruweltijd die mijn vader er had doorgemaakt.
‘En toen ik terugkwam, na drie jaar, ontmoette ik je moeder. Aan haar heb ik me vastgehouden. Je moet iemand hebben in het leven.’
Zijn opmerkingen, die ik nauwelijks begreep, maakten me onrustig. Ik stond een seconde of tien zwijgend tegenover hem, wurmde me toen door de openstaande keukendeur naar de gang en vluchtte de trap op, naar mijn slaapkamer.

NA DAT GESPREK lag ik uren wakker, omdat ik bang was dat ik nooit zou trouwen. Altijd alleen blijven, het leek me het ergste wat je kon overkomen. Het huwelijk was niet alleen een plicht (zodra je ouder werd, trouwde je), het was een logisch gevolg van ouder worden. Je moest je ergens aan vasthouden.
Tegelijkertijd dacht ik aan mijn ouders, aan hoe ze elkaar ontmoetten en vooral aan hoe ze elkaar nog altijd vasthielden.

DE TWEEDE KEER was in de auto van Nederweert naar Weert. Mijn vader bracht me naar het station, waar ik de trein naar Utrecht zou nemen.
Opnieuw begon hij over zijn tijd in het sanatorium. Hij vertelde hoe bang hij was geweest om dood te gaan. Om een long te verliezen. Om nog langer op dat bed te moeten liggen, met uitzicht op dat eeuwige bos in Horn.
Ik wilde het niet horen.
Ik deed alsof ik het niet helemaal begreep, wuifde zijn angsten weg. Ze hingen in de beslotenheid van de auto, waarin we zaten als twee gevangenen in een iets te krappe cel. Ik begon ergens anders over, zong in gedachten ‘lalalalala’, draaide een raampje open.
Maar mijn vader zette door. Hij wist me in vijf minuten op de hoogte te brengen van alle angsten die hij nooit had uitgesproken; angsten die ik kon navoelen, en waarvan ik de inhoud op zijn minst had kunnen proberen te begrijpen.
Ik bleef hem negeren, sloot me af.
Ik haatte hem, in die auto. Niet om zijn angsten. Niet om zijn manier van vertellen. Ik haatte hem, voluit, en nu ik het opschrijf, haat ik hem opnieuw, omdat hij me met zijn verhaal overviel.

OPA GING NAAST me op bed zitten.
‘Toen de oorlog begon, was ik achtenveertig. Jij bent nu twee jaar ouder dan ik in 1940. Je oma en ik hadden negen kinderen. We woonden in een boerderij die van ouderdom kraakte en waren gelukkig.’
‘Ben je hier om me dát, alweer, te vertellen?’ Ik was inmiddels rechtop gaan zitten. Mijn opa reikte me mijn overhemd aan en mijn broek. Ik kleedde me snel aan en ging naast hem op het bed zitten. Mijn blote voeten stonden, bijna verwijtend-wit, op het linoleum. Hij begon te lachen toen hij me naar mijn voeten zag kijken en sloeg op mijn schouder.
‘Nee, natuurlijk niet. Ik wilde je alleen zien, en je een paar dingen vertellen en…’ Hij aarzelde. ‘En ik was benieuwd hoe het met je is, hoe het in het echt met je is. Ik kan je normaal gesproken wel volgen, maar dan heb ik dit lichaam niet en is er dus geen gesprek mogelijk. Een gek idee, ik heb nu al vierendertig jaar geen lichaam gehad, vandaag is het voor het eerst dat ik weer vóél hoe het is om handen te hebben, voeten, zoals jij, armen en benen. Een buik en een stel darmen, al werken die volgens mij niet.’
Ik dacht: Laat dat ook maar even niet gebeuren. Ik herinner me nog maar al te goed hoe hij ’s ochtends, als hij een eerste trekje van zijn pijp nam, zo hard begon te hoesten dat zijn darmen van de weeromstuit een concert gaven. Ik stond daar als jongetje op te wachten, elke ochtend weer, van het afstrijken van de lucifer tot de eerste hoestbui duurde ongeveer tien seconden, en ik was elke ochtend blij dat hij nog leefde én ik stond te griezelen in de keuken, wachtend op al die geluiden die de wereld in werden geperst.
Opa pakte zijn zakdoek uit de binnenzak van zijn colbert en snoot zijn neus. Zijn ogen glommen van plezier.
‘Misschien is het wel goed om met je oma te beginnen. Ik hield van haar, en heb tot mijn dood van haar gehouden, we zijn gelukkig geweest en ik heb nog bijna zesentwintig jaar zonder haar verder geleefd. Ik wilde niet hertrouwen. Toch was ze niet mijn grote liefde, jongen, dat was iemand anders. Een meisje uit het dorp met wie ik uit dansen ging. Maar haar ouders wilden het niet hebben en daarom zijn we niet getrouwd. Zo ging dat, en het kwam niet in je op om je ertegen te verzetten.’
‘Ik herinner me dat je af en toe voor jullie trouwfoto bij ons in de huiskamer ging staan. Dan moest je bijna huilen en haalde je ook je zakdoek tevoorschijn, zoals net.’
‘Ja. Jij hebt het anders gedaan. Jij bent gescheiden. Jij ziet je zonen niet meer. Je hebt weinig geld.’
‘Zoals tussen jou en oma gaat het tussen mij en iemand anders niet worden, opa, nooit, en het is ook nooit zo geweest.’
‘Dat is mij te gemakkelijk. Er moet meer aan de hand zijn dan dat.’
Opa pakte opnieuw die zakdoek uit zijn broekzak en snoot zijn neus. ‘Ach, wat is dat heerlijk. Ik was het gevoel vergeten. Wat ik je vandaag nog wilde zeggen: nu moet je verder. Alleen: waarom ga je niet verder?’
‘Ik kan me jou helemaal niet herinneren als iemand die over dit soort zaken spreekt.’
‘Ik ben ook niet zo iemand. Maar uitzonderlijke situaties vragen om uitzonderlijke reacties.’
Hij stopte de zakdoek terug. Daarna haalde hij een pijp en een pakje lucifers uit zijn broekzak. Ik kon het bijna niet geloven, maar hij deed het echt. Hij streek af, bracht de vlam naar de tabak die tot net onder de bovenrand van de pijp was verdeeld, lurkte een paar keer en begon zijn pijp te roken en begon een beetje te hoesten. De kamer vulde zich met de geur van de kruidige tabak, die ik tot mijn zestiende elke dag had geroken.
Na een paar minuten haalde hij de pijp uit zijn mond.
‘Heerlijk. Het smaakt me nog net zo lekker als vroeger. Ik heb een vraag: ben je ooit echt verliefd geweest?’
Ik probeerde een gemakkelijkere houding te vinden.
‘Ik ben wel een aantal keer verliefd geweest, maar ik was maar twee keer echt van de kaart. Een keer kon ik bijna geen adem krijgen als ik in haar buurt was, eind jaren negentig; in diezelfde tijd was ik nog op iemand anders verliefd, en zij op mij – maar zij was zestien en ik tweeëndertig; er is in allebei de gevallen niets gebeurd.’
Ik schrok van mijn mededeling. Niet alleen om de inhoud ervan, ik had nooit nagedacht over deze twee vrouwen, niet als grote liefdes, maar ook omdat ik opa iets vertelde wat ik nog nooit iemand had verteld. Misschien had ik het, ooit, aan een vader kunnen vertellen, als ik een andere vader had gehad. Maar het zat me dwars dat ik mijn opa iets vertelde over iets waar ik blijkbaar nooit over had nagedacht.
‘Je noemt twee liefdes die onbeantwoord bleven.’
‘Net als die liefde tussen jou en je danspartner.’
‘Dat is waar. Sommige dingen hangen voor eeuwig in de lucht, niet zozeer als beloftes… als iets anders.’ Hij zuchtte. ‘Ben je op die twee vrouwen, of nou ja, op dat meisje en die vrouw heel erg verliefd geweest? Erger dan op de vrouwen met wie je een relatie had?’
‘Anders, opa. Het werd niet uitgevoerd, ik heb ze nooit aangeraakt, we hebben geen ruzie kunnen maken. Als ik met iemand samen ben, verandert alles.’
‘Ik snap het.’
‘Sinds drie jaar ben ik écht verliefd op een vrouw.’
‘Ga door.’
‘Deze liefde is groter dan mijn eerdere liefdes; het is een veenbrand, die ik niet al te hoog durf op te stoken. Ik ben bang voor deze verliefdheid, die, bedenk ik nu, niet zozeer een verliefdheid is… De echte verliefdheid duurde maar een dag, of eigenlijk: twaalf uur. En het was een allesomvattende verliefdheid; na die uren sloeg zij om in een diepe, net zo verterende liefde – en die liefde is nog steeds niet voorbij. Waarschijnlijk hou ik van haar.’
‘Jongen toch. Hoe kun je houden van iemand die je niet echt kent?’
‘Toen ik haar ontmoette, ze zou in een monoloog die ik voor een toneelgezelschap had geschreven spelen, werd ik op slag verliefd. Ik weet nog wanneer. Ze kon een zin die ik had geschreven niet verdragen, ze vond hem onuitstaanbaar, pedant, pompeus.’
‘Een fijn begin.’
‘Ja. Ik voelde me in mijn eer aangetast en zei dat ze dan zelf maar iets moest bedenken.’
‘Precies ja. Wie is hier de schrijver?’
‘En toen kwam ze met een andere zin, en die was precies goed.’
‘En toen?’
‘Nadat ze mij een nieuwe zin had aangereikt, werd ik verliefd, een paar uur later was die beginnende verliefdheid te groot voor mijn hersens, enzovoort. Na precies een dag, bijna op de seconde af, was de verliefdheid weg, of beter: helemaal geëxplodeerd en weer tot rust gekomen, en wist ik dat ik van haar hield. En ik wist ook meteen dat we nooit bij elkaar zouden zijn.’
‘Wat een onzin.’
‘Ze is getrouwd. Ze is een getrouwde actrice, een actrice met een man die niet zonder haar kan en die zichzelf zou verdoen als ze bij hem weggaat. Daarom gaat ze niet bij hem weg en daarom vertel ik haar niet dat ik van haar hou. O ja, ze heeft ook kinderen. Drie. Drie fijne kinderen. Niet iedereen hoeft zijn gezin uit elkaar te rukken.’
‘Je hebt die pathetiek van mij geërfd. Maar de vrouw met wie je je ex-vrouw hebt bedrogen? Was je op haar niet verliefd?’
‘Zeker wel. Maar ik vermoed nu, achteraf, dat ik me vooral aan iemand probeerde vast te houden. Die poging mislukte.’
‘Als ik straks weer weg ben, jongen, dan moet je iets doen aan die toestand met die vrouw van wie je houdt. Wil je me dat beloven? Opa houdt het in de eeuwigheid niet uit als je het niet belooft.’
‘Alleen als deze merkwaardige voorstelling, waar ik niets van snap, de moeite waard is, opa.’
‘Natuurlijk is het de moeite waard.’

IK DACHT AAN de zaterdagen die mijn vrouw en ik doorbrachten in het huis dat we hadden gekocht aan de rand van Utrecht, een huis dat inmiddels ‘onder water’ stond, net als ons huwelijk. Door de week werkten we, in het weekend deden we het huishouden. Dat huishouden was de bron van veel, misschien wel alle ellende.
Ik haatte het huishouden. Niet een beetje, maar met alles wat ik in me heb. Toch rustte ons huwelijk erop, een wankel fundament, en elk moment kon het uit elkaar spatten; omdat ik geen zin had om ruzie te maken, deed ik, lafaard, dat via het huishouden.
Zij stofzuigde alle kamers, als ik de badkamer deed. Ik deed in de ochtend de boodschappen, een taak die om niet meer naspeurbare redenen geen deel uitmaakte van het huishouden, volgens haar, maar sloeg de badkamer regelmatig over. Die werd dan op zaterdagavond, als de kinderen naar bed waren, inzet van een bittere strijd. Van haar met mij.
Ik had natuurlijk al vrij snel kunnen zeggen: Krijg wat, met die badkamer; ik had de badkamer met een voorhamer kunnen verbouwen, zodat hij niet meer schoon hoefde te worden gemaakt. Of ik had kunnen zeggen: Weet je wat, stofzuigen, dat heb ik altijd willen doen. Ruilen? Ik deed niets, bleef zitten, liet de ruzies oplopen. Ruzie was beter dan apathie.
Een schoonmaakster? Gehad. Hielp niet. De badkamer werd vervangen door een fornuis dat moest worden schoongemaakt, of door andere klusjes die moesten worden gedaan. Dingen met hamers, maar niet met voorhamers.
Ik klus niet. Het is bijna een principe.
De ruzies verloren hun zaterdagse karakter, ze gingen niet meer over de taakverdeling. En ik? Ik deed niks. Ik zweeg als het graf en zat het uit.
Vreemdgaan bleek een oplossing. Het probleem ging niet weg, maar ik had wel een geheim, ik had een deel van mijn leven weer in eigen hand genomen, afgeschermd, op mijn eigen manier ingericht. Vreemdgaan was geen kwestie van seks, niet alleen, hoewel de seks een prettige toevoeging was, een sticker van de juffrouw in je schrift.

NATUURLIJK HAD IK dit allemaal op een andere manier kunnen oplossen. Ik had de ruzies kunnen doorbreken, ik had niet verliefd hoeven worden. En ik had mijn vrouw zeker niet hoeven vertellen dat ik verliefd was, en ik had moeten verzwijgen op wie ik verliefd was; en zeer waarschijnlijk had ik niet eerlijk moeten vertellen dat ik een weekend wegging met haar beste vriendin, haar hartsvriendin, die twaalf jaar jonger was dan ik.
De rest is mijn geschiedenis. Het huis met verlies verkocht. Ex-vrouw naar flat. Ik naar wrakke huurwoning. Geen contact met de kinderen.
De beste vriendin van mijn ex-vrouw en mijn ex-vrouw hebben het goedgemaakt.

IK HERINNER ME de huid van mijn ex, de eerste ochtend dat ze naast me wakker werd; ik herinner me haar eerste kreet, de nacht werd ineens heel stil en de dingen in mijn slaapkamer hielden de adem in.
Ik herinner me de tochten door de oude stad, van het Ledig Erf tot café Weerdzicht. Daar dronken we dan iets en maakten we plannen om de stad uit te lopen, weg, voor altijd weg, samen. Ik herinner me dat we daarna naar mijn huis liepen, maar eerst haalden we nog ijs bij Venezia of een borrel bij De Postillon.
Ik herinner me dat ze vertelde dat ze zwanger was en dat ik haar klaar likte; ze zat op mijn leunstoel, een onding dat ik jaren met me mee had meegesleept en dat als eerste object bij het grofvuil werd gezet toen we gingen samenwonen. Ik had haar kleren uitgetrokken en durfde haar eerst bijna niet aan te raken, zwanger was ze, zwanger.
Ik herinner me onze eerste zoon, die werd geboren op Prinsjesdag. Ik herinner me dat ik ’s nachts, als ik niet kon slapen, naar roeiwedstrijden op de televisie keek, er waren Olympische Spelen, en dat ik weken alleen maar kon denken: ik heb een kind, ik heb een zoon, wat doen al die mensen buiten, in de wereld, snappen ze dan niet dat ik een zoon heb en dat ze naar hem moeten komen kijken?
Hoe het ook is gegaan, ik heb geen moment spijt dat het is gegaan, zoals het is gegaan. Ik mis mijn ex-vrouw niet, ik mis de vrouw met wie ik tochten door de oude stad kon maken. Ik mis mijn zonen en dan denk ik aan de badkamer op zaterdag. Aan de ruzies op zaterdagavond. En dan trekt het over.
Is dat niet genoeg, dan denk ik aan lange avonden met bevriende stellen, in onze keuken. De gesprekken. De wanhoop die langzaam bezit nam van mijn hersens. De wens om een geweer tevoorschijn te halen en iedereen af te schieten. Of om toch maar eens te gaan klussen, met een hamer en een voorhamer tegelijk.
En als dat zelfs niet genoeg is, dan denk ik aan de lange nachten, samen in bed. Zij rechts, ik links. Ik op mijn rug liggend, denkend aan wat ik zou doen als ik genoeg moed had verzameld om weg te gaan. Zij, naast me, slapend. Tot ik begon te snurken en ze me wakker maakte.
En dat herhaalde zich elke nacht, een keer of vier. Waarna ik mijn kussen oppakte en naar de logeerkamer vertrok. Die stond ook onder water, net als ons huis, net als alle huizen in onze wijk. De nachten duurden lang, en uit de buurhuizen hoorde ik soms geluid komen: gehoest, gesnurk, het doorspoelen van een wc, een deur die werd geopend, een deur die werd dichtgegooid, stemmen.
Toch heb ik jarenlang gedacht dat het zo hoorde.

DE VOORMALIGE EN huidige beste vriendin was mijn ultieme poging om op een reguliere manier verliefd te worden. Door met haar mee te gaan, naar haar rijtjeshuis, dacht ik mezelf een laatste kans te geven op gewone, ongecompliceerde liefde.

NU HEB IK Laura, sinds drie jaar.
Ik ontmoette Laura tijdens de lezing van een monoloog die ik had geschreven, in een kamer boven een theaterzaal in Amsterdam. We keken uit op de Marnixstraat, de regisseur, de producent, een stuk of vijf begeleiders, Laura en ik.
Ze raakte af en toe verstrikt in mijn tekst, die veel te literair was opgezet; ik had geen rekening gehouden met de uitspreekbaarheid van zinnen. Het was voor het eerst dat ik voor toneel schreef, ik wist, toen ik de opdracht aannam, niet of ik het wel kon.
Laura was een onopvallende vrouw, had ik die middag aanvankelijk gedacht. Toen ze de kamer binnenkwam, ik was, zoals gewoonlijk, veel te vroeg en zat al een halfuur te wachten, en haar grijsblauwe jas aan de kapstok hing, viel me op dat ze zich goed kleedde; maar haar uiterlijk leek me neutraal.
Dat veranderde toen ze met lezen begon.
Plotseling was ze de vrouw die ik in mijn monoloog het woord had gegeven. Ze had zich niet zozeer in het hoofdpersonage verplaatst, ze was haar, meteen en onherroepelijk. Omdat ik een dergelijke transformatie nog nooit had meegemaakt, was ik sprakeloos van bewondering.
Dat veranderde ook weer toen ze commentaar begon te leveren op mijn tekst.
‘Ik kan een woord als “niettegenstaande” niet uit mijn mond krijgen. Ik bedoel, we zijn nu in de eenentwintigste eeuw aanbeland, we hoeven niet terug naar de twintigste, of de negentiende. Is het goed als ik hier iets wijzig?’
De regisseur en zijn assistent knikten, maar ik had het idee dat ik op mijn strepen moest staan.
‘Het is mijn tekst, is het daarom niet een goed idee om mij te vragen wat ik ervan vind?’
‘Het is jouw tekst,’ zei de regisseur, ‘en Laura is degene die hem moet uitspreken en, vooral, Laura is degene die hem van buiten moet leren.’
Tot die tijd was ik alleen gewend aan de manier waarop literaire redacteuren een voorstel tot tekstwijziging met enige omzichtigheid inkleden.
Na dat ene woord kwam Laura goed los.
Er sneuvelden niet alleen zinnen; hele alinea’s werden weggevaagd of vervangen, één hele pagina werd als ‘overbodig’ weggesneden en mijn woordgebruik werd aan stukken geschoten; terwijl ik daar zat, in toenemende mate geërgerd, begon het me plotseling op te vallen hoe knap Laura was.
Wat ik in het begin voor onopvallendheid had gehouden, was iets anders. Haar lichaam gaf een glans af, ze had iets dat mensen die hun vak verstaan en daar volledig mee bezig zijn soms hebben. Ik kon haar steeds beter zien, ik begon te herkennen waar het haar om te doen was, en welke rol mijn tekst daarin speelde.
Ik vreesde dat mijn tekst een bijrol speelde. Of beter: dat mijn tekst niet zozeer de kern van haar prestatie zou worden, dat ze op het toneel boven mijn tekst zou uitstijgen, en dat ze vooral herinnerd zou worden als de speelster die een tekst, in dit geval die van mij, naar haar eigen hand had gezet.
Toneel is spelen met rook, had ik ooit ergens gelezen. En ik had maar een klein deel van de rook geleverd.
Heel even voelde ik zelfs een steek van jaloezie. Hier zat iemand die iets kon wat ik niet kon, wat ik in mijn monoloog in elk geval niet had gedaan: tekst tot leven brengen. Zelfs tijdens de eerste lezing merkte ik al dat ze er iets moois van zou maken, ondanks mijn tekst; het was haar talent dat me de gelegenheid gaf om haar te zien, om precies te zien wie ze was.
En wat was ze mooi.
Na de lezing opende de regisseur een fles champagne. Hij toostte op de ‘bijzondere samenwerking’ die hij ‘vorm zou gaan geven’, enfin, een fles of tien verder was iedereen ervan overtuigd dat Laura toneelgeschiedenis zou gaan schrijven.
Ik ook. Ik was volledig en tot over mijn oren verliefd op haar.

LATER WIST IK het zo te draaien dat Laura en ik samen gingen eten, ‘om nader kennis te maken’. Gelukkig hadden de andere aanwezigen iets in een theater te doen die avond. Zij had vrij.
We liepen naar beneden, de drukke straat in; ik keek hoe ze haar fiets van het slot haalde, bestudeerde de lijn van haar heupen, ging met mijn ogen omhoog via haar ruggengraat en haar schouders naar haar nek, woelde in gedachten even door haar lange haren en drukte me tegen haar aan. Als het dan moest, dan hier, bij de fietsen in de buurt, het was nog licht, wat kon het mij schelen.
Toen we over straat liepen, voelde ik me meer levend dan ik in jaren was geweest. Mijn leven – kalm, een gescheiden vader in een middelgrote stad – was tot stilstand gekomen; ik schreef boeken, hield lezingen, verstopte me in tekst, had af en toe een korte relatie, die geen relatie was, of mocht heten, en ging elke week een keer naar de film. Ik onderging geen verhalen, ik bekeek ze, las ze, schreef ze.
Het begon flink te regenen. We gingen in een portiek staan en keken naar het watergordijn.
‘Mijn opa zei altijd, zelfs als het drie weken aaneengesloten had geregend: “Het grondwater staat nog steeds heel laag. Het kan beter nog even doorregenen.” Wat zou hij aan deze bui zijn hart hebben opgehaald. Al staat het grondwater natuurlijk nog niks hoog.’
Ze lachte. Een zweepslag die door mijn onderbuik ging. Ik legde mijn hand op haar schouder, heel even, voor het eerst voelde ik haar lichaam – en ik kon me meteen, tot in detail, voorstellen hoe het zou zijn, met haar, in bed, ik kon me haar gebaren voorstellen, de manier waarop ze eerst plagerig zou proberen te zijn, nog niet helemaal verzoend met het genot, om zich daarna over te geven, hoe ze langzaam richting de top zou bewegen, de geluiden die ze zou maken, het zweet op haar bovenlip, haar neusvleugels die bewogen.
Ze draaide een kwartslag naar me toe, waardoor mijn hand van haar schouder omlaag zakte; ze keek me aan en begon te vertellen. Over haar man, ook een acteur. Of ik die kende. Ik kende hem. Over haar drie kinderen. Drie kinderen! Ze was, ruw geschat, net dertig. Dat was veel kind, voor zo’n jonge vrouw. Over de plichten die haar gevangen hielden.
‘Plichten?’
‘Ik moet een goede vrouw zijn, een goede moeder én een goede actrice. Vroeger wilde ik alleen maar actrice zijn. Nu kan ik alleen actrice zijn als ik de dingen die ik daarnaast moet zijn afleg; en het kost me elke dag meer moeite om dat te doen.’
‘Is dat niet een beetje pathetisch? Iedereen heeft verplichtingen. Ik ken schrijvers, erg goede schrijvers, die een volledige baan hebben en daarnaast schrijven; en ik ken schrijvers die niks uitvoeren en helaas ook niet erg goed schrijven. Ligt het niet aan het gezinsleven? Dat had ik namelijk ook, en dat werkte niet.’
‘Misschien, maar probeer het je eens voor te stellen. Wanneer moet je dan repeteren? In het seizoen repeteer ik per dag een uur of vier, vijf, daarnaast speel ik minstens honderdvijftig keer per jaar een voorstelling en doe ik mee aan tv-series, en ga zo maar door. Als ik daarnaast niet ook nog af en toe in reclamefilms speel of commerciële klussen aanneem, ga ik dood van de honger. Een vaste baan? Het lijkt me heerlijk.’
‘Ik schrijf ook minstens vijf uur per dag. Toen ik een gezin had, kon dat inderdaad niet, of nauwelijks. Toch deed ik het. Je moet een oplossing vinden, of anders stap je uit het gezin. Ik heb die oplossing opgedrongen gekregen en ze bevalt me nog steeds heel goed.’
‘Ik zal erover nadenken. Je was wel beledigd hè, vanmiddag?’
‘Ja. Ik vind mijn tekst heilig, eenmalig, onaantastbaar; ik werk er in stilte aan, zonder aan publiek te denken… en dan…’
‘Dan komt er een huppel van net dertig en die begint je tekst aan flarden te scheuren, niettegenstaande het feit dat je er je ziel en zaligheid inlegde.’
Ik lachte. ‘Zoiets, ja. En wat erger is: die huppel wil die tekst niet alleen verscheuren, nee, ze gaat die tentoonstellen, ze maakt van die tekst, waaraan ik maanden heb gespendeerd, een aap in een kooi, ze gooit die tekst als parels voor de zwijnen, ze vreet de letters die ik op mijn laptop liet dansen op, verteert ze nauwelijks, braakt ze weer uit. Het is wat.’
‘Zeg dat wel, schrijver. Je bent nog erger dan ik dacht.’
Ik liet haar opmerking even voor me in de lucht hangen en genoot ervan. Ze haalde ondertussen een pakje sigaretten tevoorschijn – vrouwen die roken zijn op zichzelf al onweerstaanbaar – en hield het me voor.
Ik had in geen jaren een sigaret gerookt. De scherpe rook maakte me aan het hoesten.
‘Laten we het zo zien, schrijver. Jij leeft in je cocon, ergens in Utrecht, en ik stap bijna dagelijks in de schijnwerpers. Maar ik weet wel wat je doet. Ik heb al je boeken gelezen. Je romans, je dichtbundels. Ik ben dan wel het mooie uithangbord van een theatergroep, de diva van de Nederlandse no budget-film, het meisje van de levensverzekering en de vrouw die vijftien keer per jaar bij De Wereld Draait Door de tafeldame speelt, ik ben niet dom, dat wil zeggen: ik ken de kracht van de voorbereiding.’
Opnieuw liet ik haar woorden even doorklinken. Ik merkte dat ik er rustig van werd. De neiging om haar tegen te spreken was niet zozeer verdwenen, maar ingeduffeld door mijn verliefdheid. Ik kon me niet herinneren het ooit zo te pakken te hebben gehad. Zo plotseling. Van top tot teen.
‘De bui is overgetrokken. Kom, we gaan. Ik weet hier in de buurt een leuk restaurant.’
We verlieten de beschutting van het portiek. Ik nam de fiets van haar over en viel bijna over mijn eigen voeten toen ik die losjes vooruit wilde laten bewegen. Ze lachte opnieuw en legde een hand op mijn rug, alsof ze me wilde beschermen en tegelijkertijd vooruit wilde duwen; ze stuurde me, ons, de Rozengracht op.

DAT BLIJVEN DE mooiste verhalen.’
Ik keek opa aan.
‘Gedachten lezen, jongen.’
‘Ik was blij dat ik die fiets kon vasthouden met mijn rechterhand, als een zijdelingse rollator, anders had ik daar dronken heen en weer gezwalkt. Ik moest de neiging om hardop te zingen onderdrukken. Ondertussen lag haar hand nog steeds op mijn rug.’
Opa stak opnieuw zijn pijp aan. Mijn broer en ik bliezen vroeger de lucifer waarmee hij dat probeerde te doen soms uit, vooral omdat hij daar zo enorm kwaad op kon reageren. Hij keek me aan.
‘Rook jij eigenlijk nog?’
‘Ik kan het niet goed, want ik heb astma, zoals je weet. Soms, een sigaar. Het gaat niet om de rook, maar om het idee. Het openen van de kist. Het kiezen. Het even uitstellen en dan opsteken.’
‘Mij is het altijd om de rook gegaan. De rook, die door mijn longen ging. Ik kon geen dag zonder die toevoeging aan de gewone lucht; ik was er niet zozeer aan verslaafd, die rook was een onderdeel van mij. God, wat heb ik altijd graag gerookt.’
‘Mijn ouders zijn van het ene moment op het andere gestopt, ongeveer twee jaar na je dood, toen ik achttien was.’
‘Niet te geloven. En ze zijn nooit meer begonnen? Ook je vader niet?’
‘Nooit meer. Sterker: ze beginnen nu demonstratief te hoesten als ze de geur van tabak zelfs maar vermoeden.’
‘Het is vreselijk. Wat een ontaarde zoon en schoondochter liet ik op deze wereld achter.’

WE LIEPEN OVER de Rozengracht tot ze ineens halt hield.
‘Hier gaan we eten.’
Ik keek naar de gevel van het Indonesische restaurant. Long Pura. Ik wilde zeggen dat dit ‘de eeuwige tempel’ betekent, maar ze was me voor.
‘Ik weet het. De feiten doen er nu niet toe, goed?’
Ik zweeg. Ze zette de fiets vast aan een lantaarnpaal en we gingen naar binnen. Het restaurant achter de smalle gevel leek ineens erg groot, en breder dan je voor mogelijk hield, alsof de ruimte zich achter de bescherming tegen de buitenwereld had ontspannen, breder was geworden. Ze werd herkend door het personeel en we werden naar een tafeltje achter in de zaak geleid.
Daarna begon een tafereel dat me nu nog, als ik eraan denk, met verbazing en ontroering vervult, maar wat me destijds een beetje ongemakkelijk maakte.
Ze lás de menukaart. Niet vluchtig, speurend naar een gerecht dat ze wilde hebben, nee, hélemaal. Daarbij bewoog ze af en toe haar lippen, alsof ze een tekst aan het instuderen was. Af en toe nam ze een slokje van de witte wijn. Een oneindig kwartier later klapte ze het boekwerk dicht.
‘Ik kan niet kiezen.’
Lang, lang geleden had ik een Indische vriendin wier oma, een vrouw van ongeveer 1.40 meter die werkelijk fantastisch kon koken, me nieuwsgierig maakte naar de Indische keuken. Ze werd Poesje genoemd, ik heb nooit geweten waarom. Soms droom ik nog van haar heerlijke eten.
Ik stelde me aan die avond, met de zeven woorden Indonesisch die ik kon spreken, bestelde satés, groentegerecht, smoor, zuur, gebakken rijst… alsof ik de geest van Poesje opriep en even boven de tafel liet zweven. En bier, ik bestelde bier. Want witte wijn is lekker, maar niet bij Indonesisch eten.
‘O nee, geen bier. Ik kan geen bier drinken. Dat lukt me gewoon niet. Drink jij het maar. Ik moet al overgeven bij het idee.’
Het gesprek kreeg het karakter van een schaakspel. Laura verzette zo nu en dan een stuk en liet me dan zo lang nadenken als ik maar wilde. Ik tilde een ander stuk bijna op, zette het weer terug en nam de gelegenheid om haar aan te kijken.
En toen kwam het eten.
Opnieuw gebeurde er iets waar ik me geen raad mee wist. Ze bekéék het eten dat voor ons was neergezet op de rechauds. Elke schotel, elke kom, elk bord werd door haar blik aangeraakt. Ze vouwde, zonder haar blik van het eten af te halen, haar servet open en legde dat op haar schoot. Ineens was ze er klaar mee. Ze veerde op, tilde het glas op en bracht een toost uit.
‘Op jou, schrijver.’
‘Op jou.’
‘En op onze monoloog.’
Ik lachte.
‘Zie je wel. Ik wist het. Vanmiddag was je beledigd, en nu lach je als ik je heilige monoloog, die door de muze en de hemelwezens aan je geschonken tekst, onze monoloog noem. Je hebt gevoel voor humor, daar heb ik me niet in vergist. En je kunt je eigen belangrijkheid relativeren. Dat is een goede eigenschap, voor schrijvers. Niet voor acteurs. Die gaan daaraan ten onder.’
‘Ik relativeer nooit wat. En volgens mijn ex-vrouw heb ik het gevoel voor humor van een tandartsboor. Dus misschien ben je wel slim en opmerkzaam; alleen vergis je je, in mijn geval.’
Ze pakte een opscheplepel en legde kleine beetjes voedsel op haar bord. Na dat nog een keer bekeken te hebben, begon ze te eten. Heel voorzichtig. Hapje voor hapje.
‘Ik zie je wel kijken. Een deel van mijn broodwinning heb ik te danken aan de gelukkige verhouding tussen mijn lengte en gewicht. Als ik die niet in het oog hou, raak ik mijn werk kwijt. Dus ik verenig het nuttige met het aangename: ik eet lekker en doe er lang over. Dan voel je de honger minder.’

MIJN JEUGD HEB ik verlezen.
Ik herinner me dat ik om een uur of halftien naar bed ging en las tot mijn ouders naar bed gingen. Daarna las ik onder de dekens, met een zaklamp gericht op de bladzijden.
In de winter las ik, met mijn rug tegen de verwarming, over kinderen die buiten ijspret beleefden. In de zomer las ik, in de schaduw van een boom, over kinderen die op zomerkamp gingen en daar allerlei avonturen beleefden.
Later, toen ik de wereld in ging, heb ik die afzijdigheid nooit kunnen afleggen. Wat begon als ‘hobby’ – een woord waar ik zo’n hekel aan heb, dat ik het alleen honend kan uitspreken – bleek een levenshouding te zijn.
Mijn vader en mijn opa heb ik altijd verweten dat ze passief waren, niet in het leven stonden. Die verwijten zijn in wezen onterecht. Ik leef niet heel anders. Ik heb er alleen een muur van woorden omheen gezet.
Het geslacht waaruit ik stam bestond uit afzijdigen; mannen die een cirkel om zich heen hadden getrokken en daar niet uit kwamen, vrouwen die de cirkel bewaakten en waar nodig repareerden, eindeloze kinderscharen, een geslacht van grote gezinnen die opkwamen en ondergingen zonder een zucht, een mestvaalt waar geen bloem op bloeide – en het enige wat ik heb geprobeerd, is me daaraan onttrekken; en dat is deels gelukt.
Jaren heb ik me verbaasd over de manier waarop opa zijn dagen doorbracht: kruiswoordpuzzels makend. Ik snapte niet hoe hij dat volhield, elke dag alleen binnen ons gezin, nooit eens een dag ergens heen, hij ging alleen met tegenzin ergens logeren, stokdoof, in een universum dat Beckett deed verbleken.
Ik las. Ik droomde over een leven ergens anders, ooit. Achttien jaar lang leefde ik in een dorp dat me niets zei, ik zag niets om me heen, ik had geen idee wat er gebeurde, liefdes, gebeurtenissen, alles speelde zich buiten mij af. We woonden niet alleen in een klein dorp, we woonden zelfs aan de rand van dat dorp, in een stuk waar bijna geen huizen stonden. In een boek over wielrennen las ik dat sporttalent de ruimte en de eenzaamheid nodig heeft; maar ik was niet van plan om sporter te worden.

‘HOE HIELD JE dat vol, dat gepuzzel?’
‘Waarom zit jij soms dagen achter elkaar alleen achter je laptop?’
‘Ik maak iets.’
‘Ik maakte ook iets. En in die jaren was ik met pensioen, hè? Ik hoefde niets meer te doen. Mijn werkzame leven lag achter me.’
‘Maar je had toch iets anders kunnen gaan doen?’
‘Wat?’
‘Vrienden opzoeken. Met vakantie gaan.’
‘Zo was ik niet. Ik had geen vrienden. Ik ging nooit met vakantie. Ja, soms ging ik bij een van mijn kinderen logeren. Ik was vooral meestal blij dat ik terug mocht.’
‘Ik zou gek worden, een man alleen, in huis bij familie.’
‘Ik hou niet van jij-bakken. Toch ga ik er nu een maken. Wat heb jíj voor leven? In je wrakke huurhuis. Alleen. Zonder je kinderen. Weg bij je ex. Met een sleep kortlopende, mislukte projecten achter je aan. Wat? Ik vind het niet erg dat je me de maat neemt, en misschien heb je zelfs gelijk, maar toch: vertel me eens waar jouw leven uitstijgt boven mijn laatste achttien jaar?’
Helaas moest ik hem gelijk geven, al deed ik dat niet.
Ik ben, net als mijn opa en mijn vader, geen man van de daad; ik bevond me nog steeds aan de rand van het dorp, alleen, met de rug tegen de verwarming lezend. Een man die niet deelneemt aan het leven. Die het leven niet kent, omdat hij het altijd uit de weg is gegaan. Niet zozeer uit lafheid of luiheid, al spelen die allebei een rol. Uit onverschilligheid, die is omgeslagen in arrogantie.’
Ik herinnerde me ineens de verbaasde blik van mijn laatste chef, die me na een halfjaar vroeg: ‘Waarom wil jij eigenlijk hier blijven werken? Weet je wel wat we hier doen?’ Het correcte antwoord was: ‘Ik kan elders geen 1400 euro per maand verdienen in drie dagen.’ Maar dat durfde ik niet te geven.
Hij had gelijk. Ik werd ontslagen en vanaf dat moment was ik min of meer schrijver. Zelfs de beslissing om dat te worden, nam ik niet zelf; dat werd voor me gedaan. En ik ben er flink voor gestraft, want ik heb nog nooit zo hard gewerkt als de laatste tien jaar. Wat dat betreft ben ik er flink op achteruit gegaan.
‘Blijf jij nou maar lekker lezen en, vooral, schrijven. Ik wil liever eerst even weten hoe het verder ging met Laura. Blijkbaar mis ik af en toe iets; voordat je me over haar vertelde, had ik nog nooit van haar gehoord.’
Hij stak opnieuw zijn pijp aan en ging er eens lekker voor zitten. Ik lachte om zijn houding; dat zelfverzekerde en die op niets gebaseerde arrogantie, waarom ik hem soms had gehaat, waren na jaren nog precies hetzelfde. Ik had ze, bedacht ik, overgenomen.
Het duurde anderhalf uur voordat ze haar eten eindelijk op had. Ik heb nog nooit iemand zo langzaam zien eten; ik heb ook nog nooit iemand zo stug zien doordrinken, bij dat weinige voedsel.
‘Weet je zeker dat je niet nog iets wilt eten? Je hebt muizenhapjes op, in het tempo van een slak.’
‘Nee echt, ik kan niet meer. Je noemt me, trouwens, een slak, maar je weet nog niet dat ik eigenlijk een herkauwend dier ben, een heel lief kalf bijvoorbeeld. Dus bereid je er maar op voor: ik ga nu nog een uur of wat herkauwen.’
‘Zullen we daar wijn bij bestellen?’
Ik probeerde te bedenken hoe mijn vader ooit verliefd geweest was op mijn moeder; als hij dat was geweest. Ik probeerde me voor te stellen hoe hij naar haar verlangde. En mijn opa? Ik keek naar hem, maar hij knikte me bemoedigend toe.
‘Opa schrikt nergens van.’
En ik? Nooit was ik een vriendin trouw geweest. Zelfs Laura niet, al kun je een niet-relatie van drie jaar onmogelijk meten in termen als ‘trouw’ of ‘ontrouw’.
‘Daar ben ik het niet mee eens’, zei opa.
‘Hoezo?’
Je had kunnen wachten. Je had je liefde voor haar kunnen uitspreken en dan had je kunnen wachten. Want áls ze ook van jou zou houden, wat ze volgens mij doet – jullie cirkelen nu al drie jaar om de hete brij heen – nou, dan had je moeten wachten. De afgelopen jaren heb je je afgegeven met vrouwen die niet in haar schaduw kunnen staan. Vrouwen van wie je niet hield. Op wie je zelfs niet verliefd was. Soms zelfs met vrouwen voor wie je betaalde. Bespaar me, overigens, het argument dat betaalde liefde en gewone liefde twee verschillende dingen zijn. Je hebt Laura, goed beschouwd, verraden.’
‘Is dat niet een béétje dramatisch gezegd?’
‘Ja, en nee. Je hebt je liefde voor je gehouden. Dat kán, maar dan moet je ook niet mauwen dat mensen niks doen. Jij doet ook niks. Ik snap wel dat jij die mannen in Colditz onverstandig vond. Met jou erbij had die serie maar één aflevering geduurd en was iedereen blijven zitten waar hij zat.’ Opa liep opnieuw naar het boekenrek naast mijn bed. Hij pakte een boek dat ik ooit van iemand gekregen had op: De filosofie van de liefde.
‘Interessant. In mijn tijd hadden we daar nog geen filosofie bij nodig. Liefde eigenlijk ook niet. Je trouwde met een meisje uit het dorp of de directe omgeving. Liet je je oog vallen op meisjes uit een dorp verderop, dan kreeg je ellende met de jongens daar.’
‘Ellende?’
‘Ja, nogal. Ik herinner me… de jongens die bij ons naar de kermis kwamen, uit andere dorpen… als die met een meisje uit ons dorp wilden vrijen, brachten we ze ’s avonds even naar de bus.’
‘Naar de bus?’
‘Nou ja, dan liepen we even met ze op en gaven ze een pak rammel. En dan kwamen ze niet terug, alleen als ze echt roekeloos waren. Roekeloos waren ze bijna nooit.’
Hoe is het om van iemand anders te houden? Dat is een van de diepste, menselijkste vragen die we onszelf kunnen stellen. Liefde is een hoofdonderwerp in de autobiografie die we allemaal schrijven als we ons eigen leven proberen te doorgronden; maar hoe meer we erover denken, des te meer kunnen we in de war raken. Liefde is nauw verbonden met ons beeld van geluk; toch is degene van wie we houden degene die we waarschijnlijk het ergst zullen kwetsen of door wie we het ergst gekwetst zullen worden. Als liefde iets is wat we allemaal willen, waarom is het dan zo moeilijk om liefde te krijgen en nog moeilijker om deze te behouden? Liefde is een van de meest constante en oudste idealen van de mensheid, maar wat dat ideaal inhoudt en wat we het eventueel met het echte leven te maken heeft, laat zich maar moeilijk verklaren.

OPA LEGDE HET boek neer.
‘Ja, zeg. Zo kan ik het ook. Liefde, liefde. Natuurlijk híéld ik van je oma, vroeger; maar liefde? Ik denk dat wij daar niet aan deden. Je had het druk. Het was in de jaren twintig. We kregen tien kinderen, van wie er negen overleefden. Ik werkte, je oma deed het huishouden. Er was niemand die ons kwam vragen hoe het met de liefde stond.’
‘Dat is flauw.’
‘Waarom? Ik heb het je al eerder gevraagd, maar wat is beter? Leven zoals jij, op zoek naar liefde – althans, dat zeg je zelf –, of leven zoals wij; in harmonie en, vooruit, met liefde, soms, in verbondenheid die ook buiten de liefde bestond?’
Opa stak opnieuw zijn pijp aan.
‘Ik hield van je oma, in alle oprechtheid; anders dan in dit boek, zonder filosofie. Ze was een goed mens.’
Ik zuchtte. Misschien had hij gelijk, maar ik had een gruwelijke hekel aan dit soort verhalen. Het dorp. De gemeenschap. Het mystieke lichaam, levend gehouden door warm, overbekend bloed.
‘Toen de oorlog uitbrak en ook bij ons kwam, heeft ze er alles aan gedaan om het gezin zo goed mogelijk door te laten functioneren. We hadden het niet zo slecht als in sommige plaatsen, maar het was niet gemakkelijk.’
‘Opa!’
‘Wacht even. Er was veel minder te krijgen, we mochten zelf niet slachten en we moesten onze fietsen aan de Duitsers afstaan. Later kwamen die schurken zelfs de paarden ophalen en moest de radio de deur uit. Wacht, ik ga te snel.’
Hij stond even op, zakte een paar keer door zijn knieën, zoals hij dat vroeger ook deed als hij zichzelf op gang wilde trekken, en ging weer zitten.
‘Hè, hè. Nou. Ik kan me nog goed herinneren dat de oorlog begon. Ik was toen achtenveertig, dat zei ik al. Oma was een paar jaar jonger. Onze zonen waren nog te jong om opgeroepen te worden voor legerdienst en ik was er te oud voor.’
‘Alweer een buitenstaander.’
‘Gelukkig maar. Mijn echte legerdienst, heb ik je daar ooit iets over verteld?’
‘Ja.’
‘Vier jaar gemobiliseerd … van 1914 tot 1918. Gelegerd aan de kust. Om te voorkomen dat Engeland een inval zou doen. Nederland was neutraal en zowel Duitsland als Engeland was de vijand, de potentiële vijand. Ik heb me nooit zo verveeld.’
‘Je vertelde altijd dat je zoveel van het land had gezien.’
‘Zeker. Ik ben in plaatsen geweest die ik, als ik in het dorp was gebleven, nooit had gezien, zeker niet in die tijd.’
‘Wereldburger.’
‘Wereldburger ben je in je hoofd, jongen, ik heb mijn hele leven gereisd, en ik ben nergens geweest. Wie zijn achtertuin niet kent, kent de wereld niet. En vergeet nooit: het dorp ís de wereld.’
‘Ik ben ook bijna nergens geweest, in vergelijking met mijn leeftijdgenoten. Ik was nog nooit buiten Europa, en nooit verder dan Letland.’
‘Dus? Ben jij een wereldburger?’
‘Niet echt, al kan ik, als ik interessant wil doen, wel zeggen dat ik in mijn boeken leef. Maar dat is onzin.’
‘Zie je. Ik had gelijk. We lijken op elkaar. En we lijken op je vader.’
‘Ik zie hem bijna nooit. Ik kan niet met hem praten. Ik heb het idee dat ik, hoewel ik hem vijftig jaar ken, niets van hem weet. Erger: ik wil niets van hem weten.’
‘Heb je ooit geprobeerd met hem te praten?’
‘Nee.’
‘Ga je dat ooit doen?’
‘Ik vermoed van niet, ik heb er geen zin in.’
‘Dan moet je niet klagen. Je weet dat ik je nergens toe wil dwingen. Toch raad ik je aan; probeer het eens.’
‘En dan? Moeten we betekenisvolle gesprekken voeren? De zin van het leven samen doorgronden? Dichter tot elkaar komen?’
‘Bijvoorbeeld.’
‘Je had het over de oorlog.’
‘Ja. Toen die begon, zaten we te kaarten. De buren, je oma en ik. Hartenjagen. Ik herinner me dat we gerommel hoorden, in de verte. “De Pruus…” – dat zeiden we. De Moffen. De Duitsers. We wisten allemaal dat ze een keer zouden komen, en daar waren ze. We kaartten door. Wat moesten we anders doen?’
‘Gaan kijken?’
‘Er was niets te zien. Om een uur of elf namen we afscheid. De buren gingen naar huis. We gingen slapen. Tot het gerommel steeds duidelijker te horen was. En om een uur of zes waren ze er, de Duitsers. De eerste jeeps en motoren reden door het dorp. Ik heb ze zien langskomen. Grote, sterke soldaten. Mensen van een kilometer of tachtig verderop. Gewone jongens. Maar Pruusen...’
‘Was je niet bang?’
‘Nee. In het dorp betekende de oorlog niet zo veel. Zeker de eerste drie jaar niet. Alles ging gewoon door. Je werkte door. Je probeerde allerlei regels te omzeilen. Je slachtte een keer illegaal. Je verborg de radio op zolder. Vergeet ook niet: die Duitse soldaten leken op ons. Je kon ze verstaan. Het waren geen verkeerde types. In ons dorp stonden we onverschillig tegenover de oorlog, en ik denk dat dit min of meer voor heel Limburg gold.’
‘Er waren toch ook NSB’ers? Dat werd tenminste altijd verteld.’
Opa lachte en meteen erna moest hij opnieuw hoesten. Omdat hij zijn pijp in de mond hield, ging er een warreling van rook en tabak door de lucht. Hij hield, iets wat ik vroeger altijd met bewondering had aanschouwd, de pijp tussen de tanden van zijn gebit geklemd, wat er ook gebeurde. Zijn ogen puilden een beetje uit.
‘Die NSB’ers, zoals jij ze noemt, waren de kwaadsten niet. Het waren er trouwens maar twee, in het hele dorp. En de ene heeft een halfjaar zes joodse onderduikers gehad, terwijl de andere nooit een vinger naar iemand heeft uitgestoken; al was die tweede wel een vervelende man, wat niks met zijn NSB-lidmaatschap te maken had.’
‘Dus ons dorp was een idylle in die jaren. Er gebeurde, zoals altijd, helemaal niks. De wereldbrand liet een plek op de wereldkaart ongemoeid, en dat was ons dorp? Er werd alleen soms een moord gepleegd, maar daar sprak niemand over.’
‘Zó simpel ligt het niet. Je maakt er een beetje een flauwekul van. Er was juist heel veel te doen, die jaren.’
Opa heeft nu eerst trek in een kop koffie. ‘Zet jij die?’

HIJ NAM EEN slok van de koffie, nog steeds slurpend. Ik vond het ineens een mooi geluid, waar ik al die jaren weliswaar niet naar had terugverlangd, maar dat nu wel een ander karakter had gekregen dan toen hij nog leefde.
‘Lekker.’
‘Wil je meer suiker?’
‘Nee, precies goed zo.’
We zaten op de rand van mijn bed. Ik bekeek de haartjes die op zijn oorschelp groeiden. De paar haartjes in zijn hals, niet goed weggeschoren; de kleine korreltjes in zijn oorschelp, die hij een paar keer per dag weghaalde met een punt van zijn zakdoek, maar die steeds terugkwamen omdat het oortje van het gehoorapparaat ze loswoelde. Zijn bijna gladde voorhoofd.
‘Dus die eerste jaren was de oorlog wel in het dorp. Toch hadden we er geen last van. De Duitsers waren nog niet zo fanatiek, de regels kon je met weinig moeite omzeilen. En toen er mannen werden opgeroepen om in Duitsland te gaan werken, doken er heel wat onder.’
‘Daar heb ik over gehoord. De man van onze achterbuurvrouw, die in zijn eigen boerderij, op zolder, vier jaar ondergedoken zat… Geen heldenverhaal, maar wel tekenend. Je móést wel werken in Duitsland én je kon eronderuit komen.’
‘Zoiets.’
‘Klinkt hoe dan ook saai.’
‘Wacht nou even. Ondertussen kwam het georganiseerde verzet op. In het begin stelde dat misschien weinig voor. Wat jongens die tuk waren op een avontuurtje. Die dachten: de Mof is over een maand of twee weg en we maken het hem ondertussen zo moeilijk mogelijk.
Al snel kwamen de Joodse onderduikers onze kant op. En werd een pilotenlijn opgezet, om Engelse piloten die waren neergestort weer veilig naar huis te krijgen. De onderduik en dat gedoe met die piloten vergden een zekere organisatie. Het avontuur was er snel af. Als je meedeed, zette je je leven op het spel.’
‘Ik herinner me, opa, dat de garagehouder uit onze straat stierf, rond 1985. Een stille, zwijgzame man, die ik nooit over de oorlog had horen spreken. Op zijn graf stonden, kort na zijn dood, allemaal schilden van Engelse en Joodse organisaties. De man was een held, bleek toen. Hij had Joodse kinderen en piloten geholpen, wapens vervoerd, bonkaarten gedistribueerd.’
‘Ja. Ook na de oorlog heeft hij er nooit iets over gezegd. Het was voorbij. Het had geen zin om je er op te laten voorstaan. Zoiets deed je niet. Daarom leek het, voor jou, voor iemand die de oorlog nooit had meegemaakt, alsof ons dorp zo suf was. Maar nee…’
‘De oorlogsverhalen die ik van pappa en mijn ooms hoorde, waren ook veel oubolliger. Als die tijdens familiefeesten over ’40-’45 spraken, begonnen hun ogen te glimmen. Het waren de mooiste jaren van hun leven, leek het wel. Misschien waren het ook wel de enige jaren vol spannende gebeurtenissen. Het was hun eigen jongensboek, met de oorlogsgebeurtenissen als achtergrondverhaal, net niet dichtbij.’
‘Ze waren nog te jong. Gelukkig wel. Te jong om in het leger te dienen en te jong om in het verzet te gaan. Ik moest daar allemaal niks van hebben.’
‘Jij hebt nooit iets in het verzet gedaan?’
‘Nee. Ik was, zoals bijna iedereen, vooral bezig met het door die tijd heen halen van mijn gezin. Niet met iets anders. Dat wil niet zeggen dat ik niet wist wie wat allemaal uitspookte. Je hoorde weleens dingen. Soms werd je gevraagd om eten, of om spullen.’
‘Ik vond het verzet zo romantisch, die verhalen over het verzet, vroeger, toen ik naar Colditz mocht kijken.’
‘Samenspannen tegen de vijand. Luisteren naar de verboden zenders. Met een pistool rondlopen. Ik weet het. Voor sommige jongens speelde dat een rol denk ik.’
‘En die vingen daarom een Duitser?’
‘Ah ja. Dat is een van de dingen waarover ik het met je wilde hebben. In een van je boeken vertel je het verhaal over een in ons dorp vermoorde Duitse soldaat, maar verhalen zijn niet altijd wat ze lijken – en ze zijn zeker anders dan jij je voorstelt.’
‘Ja, door het zogenaamde verzet. Een jonge deserteur die geen kant op kon en is afgeslacht. Het is een verhaal dat me altijd heeft gefascineerd, vooral omdat niemand in het dorp erover wilde vertellen. Als je ouderen in het dorp vroeg hoe het zat, kreeg je te horen dat er niet meer over gesproken hoefde te worden. De oorlog was lang geleden, die soldaat was dood, enzovoort.’
‘De oorlog was ook lang geleden. Waar het mij om gaat: het waren twee militairen, die zijn vermoord. Het waren geen jonge mannen, het waren dertigers, en ze zijn weliswaar vermoord, maar er zitten meer kanten aan het verhaal dan jij in je boek beschrijft.’
‘Twee?’
‘Ja. Twee Duitse soldaten, geen deserteurs, die door een verzetsgroep uit het dorp in september 1944 zijn gearresteerd, omdat men dacht dat de geallieerden een paar dagen later in het dorp zouden zijn. Dat gebeurde niet, de geallieerden konden niet in het gebied komen, ze bleven hangen achter de Maas. De twee Duitse soldaten werden in die weken almaar van schuilplek naar schuilplek gebracht en het was op den duur niet meer mogelijk om ze verborgen te houden. Toen zijn ze vermoord. Dat is vervelend, maar als de Duitsers door hun landgenoten waren gevonden, als ze waren gevonden door de Duitse soldaten, was ons dorp in een soort Putten veranderd. Misschien was zelfs ik dan geëxecuteerd, samen met alle andere volwassen mannen uit het dorp. En de Duitsers waren in die periode behoorlijk nerveus, dat kan ik je verzekeren.’
‘Dus het waren gewone soldaten?’
‘Zeker. Ze trokken door het dorp, op weg naar hun onderdeel of zoiets, en toen dachten een paar verzetsstrijders uit het dorp: Kom, laten we die Duitsers oppakken.’
‘Uit baldadigheid?’
‘Omdat ze die twee aan de geallieerden wilden overdragen. Het staat wel stoer, als je twee Duitsers hebt gearresteerd. Dan was dat toch een soort heldendaad geweest, van die jongens.’
‘Wat ging er dan fout?’
‘Dat zei ik al. De geallieerden bleven achter de Maas hangen en het wemelde in en rond ons dorp ineens van de Duitse soldaten. Die twee gevangenen werden van schuur naar boerderij naar keet gesleept, en op een dag werd de boerderij waar ze verstopt zaten doorzocht. Omdat een van de verzetsjongens die Duitsers onder schot hield, hebben ze niet naar hun kameraden geschreeuwd; anders was het toen fout gegaan. Volgens mij is toen besloten om ze te vermoorden.’
‘En dat was om het dorp te redden?’
‘Het was een onhoudbare situatie. Het was fout gegaan.’
‘En toen?’
‘Toen zijn ze aan de rand van het dorp vermoord, ze hebben die jongens de keel doorgesneden en in een kuil begraven.’
‘De keel doorgesneden?’
‘Ja, dat maakte geen geluid. Schoten had je gehoord.’
‘De Duitsers hadden echt niks door?’
‘Het schijnt dat een of andere Oberst represaillemaatregelen wilde treffen tegen het dorp, maar een man uit Weert, een soort Robin Hood die contact had met het verzet én met de Duitsers, heeft hem dat uit zijn hoofd gepraat. Hij heeft zelfs gezegd dat die mensen uit ons dorp te simpel waren om een moord te plegen. Ik moet zeggen, dat was natuurlijk geestig.’
‘Het lijkt materiaal voor een oorlogsfilm.’
‘Dat is het ook. Een klein dorp. Waar bijna niks lijkt te gebeuren. Toch zitten er onderduikers, ook Joden. Er worden piloten van de ene plek naar de andere gebracht. Het verzet, klein maar redelijk georganiseerd, neemt op het eind van de oorlog twee Duitsers gevangen. Bijna gaat het fout, maar gelukkig voor het dorp wordt dat afgewend. Treurig resultaat: de twee Duitse soldaten worden vermoord. Het is de prijs die het dorp moest betalen.’
‘Moest betalen? Hadden ze die Duitsers echt niet ergens anders kunnen onderbrengen?’
‘Toen niet. Er waren te veel Duitsers, de doorgangswegen waren afgesloten, het front was na het mislukken van Market Garden naar het zuiden gezakt.’
‘Ik ga dit verhaal opschrijven, denk ik. In mijn boek staat het nu verkeerd.’
‘Nee, dat moet je niet doen. Ik wilde je dit verhaal wel vertellen, maar niet omdat je het moet opschrijven. Dat heeft geen zin. Het is ook niet prettig voor de betrokkenen, zelfs nu die allemaal dood zijn. Voor de mensen in ons dorp niet. Voor de nabestaanden van die Duitse soldaten niet. Je hoeft dit verhaal niet op te rakelen.’
‘Je klinkt als mijn ouders.’
‘Ja. En je begrijpt me wel. Je hoeft het niet te schrijven. Wat heb je eraan als je dit verhaal opschrijft? Je hebt al teruggekeken. Het verhaal dat je ervan maakte is weliswaar niet het verhaal zoals het echt gebeurd is, maar daar gaat het niet om. Je moet nu nieuwe verhalen schrijven. Andere. Schrijf voortaan zonder opsmuk, en zonder terug te kijken. Je moet doorgaan, zoals wij in en na de oorlog doorgingen.’
‘Ik denk dat ik je snap.’
‘Maak keuzes. Ik las je boeken en ik merk dat je altijd de neiging hebt om een verhaal op te bouwen, waarna je het weer afbreekt, of laat verbrokkelen. Opa houdt daar niet van. Je moet ferm zijn. In wat je schrijft en in hoe je leeft. Denk aan hoe je met Laura omgaat. Denk aan alles.’
‘Denk je dat ik je kan omhelzen?’
‘Het zou kunnen. Probeer maar.’
Ik deed het. Het kon. Ik voelde zijn knokige lichaam, het lichaam dat tijdens zijn laatste jaren steeds magerder werd, waaruit de spierkracht helemaal verdween. Ik legde mijn hoofd op zijn rechterschouder. Hij klopte met zijn handen op mijn rug. Het voelde heel prettig, als iets dat je was vergeten en dat je ineens weer te binnen schiet. Ik wilde wel in slaap vallen, zo.
‘Het kost opa veel moeite om dit vol te houden. Laat me maar los. Het is goed.’
De neiging om een potje te janken kon ik nog net onderdrukken. Opa niet, hij haalde zijn zakdoek tevoorschijn, wreef zijn ogen droog en snoot zijn neus.
‘Hè hè. Ja, opa is altijd snel een beetje sentimenteel, dat weet je wel.’
k weet het. Het is niet erg.’
‘Ik heb mijn eigen sentimentaliteit altijd vervloekt. Het is toch een uiting van onvermogen om iets te formuleren. Daarom moet jij er ook voorzichtig mee zijn, je hebt er aanleg voor.’
‘Die schrijf ik weg.’
‘Ja. Doe dat maar.

WE ZATEN EEN minuut of tien te zwijgen. Ongeveer zoals toen we samen naar de Tour de France keken, tijdens eindeloze zomervakanties vol verveling. Soms vroeg opa wie er op kop lag, en dan schreef ik dat voor hem op een papiertje. Vaak kon hij het niet laten om de vraag te herhalen, tien minuten later, ook al lag dan nog steeds dezelfde renner op kop.
Dan gebaarde ik dat het dezelfde was.
‘Wie?’
Nog eens dat gebaar, geërgerder.
‘Ja maar… wie?’
Zuchtend liep ik dan naar zijn plek en onderstreepte de naam die ik tien minuten eerder had opgeschreven.
‘Dezelfde nog!’
‘Ja opa.’
‘Ja, nou ja, opa wilde dat graag even weten.’

‘WEET JE WAT het is?’
‘Opa heeft geen idee.’
‘Ik heb altijd veel van je gehouden.’
‘Ja? Dat hoor ik graag. Ik ook van jou.’
‘Dat is goed om te horen.’
‘Je ouders meenden het goed. Zij moesten werken. Ik had het gemakkelijker. Ik had al gewerkt.’
‘Ik weet het. Toch was het, als ik erop terugkijk, niet echt een gelukkige jeugd. Ik verveelde me kapot in dat dorp.’
‘Je bent er nu niet meer, je bent iets anders gaan doen. Je ging je eigen gang. Gelukkig maar.’
Hij liet zijn vingers knakken. Hoestte. Stak alweer zijn pijp aan. Ging met zijn handen door het haar.
‘Volgens mij ga je me nog vertellen hoe het afliep in dat restaurant. Ik ben er wel benieuwd naar. Daarna ga ik denk ik even een dutje doen. Opa is moe.’
Hij leunde een beetje achterover. Zocht steun tegen de wand waar het bed tegenaan stond. De rimpels in zijn gezicht werden dieper. Ik legde een arm op zijn schouder.
‘Wil je een kussen in de rug?’
‘Ja, goed idee. Doe maar.’

WE VERLIETEN HET restaurant. Bij de garderobe had ik staan hannesen met de jas van Laura, die ik netjes voor haar omhooghield; helaas was ik vergeten om een van de mouwen, die binnenstebuiten was gedraaid, weer goed te draaien.
‘Een afzakkertje?’
‘Ik heb wel tijd. Mijn man past vandaag op de kinderen.’
‘We liepen naar Café Kalkhoven, een bruine kroeg niet ver van het restaurant.
De verliefdheid, die al zo verschrikkelijk om zich heen sloeg, werd met de minuut heviger. Toch lukte het me zonder moeite om het gesprek op gang te houden, zonder dat ze iets merkte. Denk ik. Ze werd nagekeken door mensen die haar herkenden. Ik zag dat, zij leek niets te merken.
In het café bestelden we witte wijn. Voordat ze haar eerste slok nam, snuffelde ze aan het spul, alsof ze verwachtte dat het met lijkvocht was aangelengd.
‘Ze zullen je heus niet vergiftigen hier.’
‘Je weet het nooit.’
‘Zie jij eigenlijk dat je op straat wordt aangegaapt?’
‘Nee, niet meer. Vroeger wel. In het begin vond ik het zelfs prettig. Nu let ik er niet meer op en kan het me niet meer schelen. Het is onvermijdelijk en het hoort erbij.’
‘Je bent een echte beroemdheid.’
‘Ja. In dit land wil dat overigens weinig zeggen. Driekwart van de mensen die me aankijkt, doet dat omdat ze me kennen uit een reclamefilm. Niet van het toneel of uit een film.’
‘Ik word nooit nagekeken.’
Ze lachte. ‘Dat weet je niet.’
‘Ik ben een keer op tv geweest, bij een boekenprogramma, en toen werd ik een keer of drie aangesproken door bejaarden. Een mevrouw had me gezien en vond dat mijn pak zo mooi zat.’
‘Zie je. Je hebt het in je. Nog een paar stappen en je bent een BN’er.’
‘Als schrijver is het bijna onmogelijk om een leven in de openbaarheid te leiden; je moet al heel erg graag beroemd willen zijn om dat te bereiken.’
‘Wees blij.’
‘Acteurs kunnen alleen maar bestaan als ze worden gezien. Er zijn genoeg schrijvers die al decennia publiceren en door bijna niemand worden gelezen.’
‘Ach, ik heb in films gespeeld waar nog geen duizend mensen naar zijn gaan kijken. Niemand dus, hoewel iedereen er net zoveel werk aan heeft gehad als aan een succesfilm of een goedbezocht theaterstuk.’

ZE GING NAAR de wc. Plotseling kwam een oude man tegenover me staan. Hij droeg een grijs pak, driedelig, had achterovergekamd grijs haar en donkere wenkbrauwen. Zonder te vragen of hij stoorde, stak hij van wal. Zijn uitspraak was onberispelijk, ongeveer zoals koningin Beatrix de Troonrede voorlas.
‘Ik ga u waarschuwen. U loopt gevaar.’
‘Waarvoor wilt u mij waarschuwen?’
‘Voor die vrouw. Met wie u hier wijn zit te drinken. Zij is niet zozeer een slechte of veile vrouw… zij is een vrouw die u ongelukkig zal maken, en daar beleeft ze genoegen aan.’
‘Ach meneer, daar ben ik dan altijd nog zelf bij.’
‘Daar hebt u gelijk in. Toch is het voor u, en voor het verdere verloop van uw leven, goed als u haar verder negeert. Gelooft u mij. Slaat u mijn waarschuwing niet in de wind!’
Hij draaide zich om en ging aan de bar zitten. Een paar seconden later kwam Laura terug.
‘Die man waarschuwde me voor je.’
‘Welke man?’
Ik wees naar de bar. De man zat er niet meer. Ik had hem niet zien vertrekken.
De barman, bij wie ik nog twee wijn bestelde, wist niet over wie ik het had. ‘Ik heb geen man in een grijs pak gezien.’
‘Merkwaardig.’
Laura lachte en proostte.
‘De duivel heeft zich er hoogstpersoonlijk mee bemoeid. Hij wil niet dat je je leven verdoet met mij, de baarlijke Satanella.’
‘Dat zal het zijn.’
Ik was aangedaan door de gebeurtenis. Ik had me niets ingebeeld, ik had die man gezien.
‘Het kan ook een echte theaterliefhebber zijn geweest. Daar zitten rare snijbonen tussen. Hij heeft me wellicht verward met een van mijn rollen. Ik speel nogal eens een slechte vrouw. Hij heeft zonder twijfel het beste met je voor.’
‘Ik kan niet tegen mensen die het goed met me voor hebben. Die willen je het liefst overheersen.’
‘Niet zo somber. Er is vast een verklaring voor. Je hebt geen geest gezien. Die barman lette niet op. Er is meer tussen hemel en aarde. Maar ik ben niet zweverig. Ik geloof je en die man kan me geen angst aanjagen; ik weet dat ik geen slechte vrouw ben. Nou kom op, drink eens door. Ik heb zin in meer wijn. Jij?’

WE PRAATTEN. EN voor het eerst in mijn leven verzweeg ik niets.
Ze ontfutselde me een verhaal over een bezoek aan een privéhuis, waar een meisje dat twee weken eerder nog op de crèche van mijn zonen werkte aan me werd voorgesteld. Ik had haar, in werkkledij, niet herkend, zoals je de mevrouw van het Kruidvat ook niet herkent als je haar op straat tegenkomt en ze gewone kleding draagt. Ze kon begrijpen als ik haar niet koos, zei ze.
Ik koos haar wel en het werd een van de meest vreemde ervaringen die ik ooit had in een privéhuis. Ze begon me, toen ik eenmaal op bed lag, zonder condoom te pijpen en stopte daar pas mee toen ik in haar mond klaarkwam. Ze liep niet naar de wasbak om alles uit te spuwen en haar mond te spoelen, maar slikte het door.
‘Vindt u het niet gek dat ik hier werk?’
‘Nee.’
Dat was een leugen, of in elk geval een verdraaiing van wat ik werkelijk vond. Ik was niet verbaasd, ik vond het zeker niet gek, ik kon nog niet helemaal bevatten wat er was gebeurd.
‘Ik ben ontslagen bij de crèche. De andere meisjes daar lagen me niet zo, en dat liet ik merken. Toen was het snel gedaan. Nu werk ik tijdelijk hier, tot ik iets anders heb.’
Heel nieuwsgierig naar de rest van het verhaal – een mengeling van een rotte jeugd, nare ouders en een leven aan de rand van de samenleving – was ik niet. Ik zocht mijn kleren bij elkaar, kleedde me aan en bedankte haar voor haar diensten.
‘Als u weer terugkomt, moet u maar naar mij vragen. Ik vond het fijn. U ook?’
Een paar weken later vertelde de gastvrouw me dat het meisje er niet meer werkte. Ik heb haar nooit meer gezien.
‘Het is natuurlijk wel een cliché’, zei Laura. ‘Meneer de schrijver die naar de hoeren gaat en dan het kindermeisje te grazen neemt, hoewel, nee, die dan door het kindermeisje te grazen wordt genomen. Leeggezogen. Zijn ruggenmerg wordt gemolken en nu dreigt zijn hele rug te verzwakken.’
‘Ja. Dat is het. Ik weet het. Maar jij informeerde naar mijn liefdesleven, en naar mijn eventuele bezoeken aan hoeren. Omdat ik niet tegen je wil liegen, vertel ik je erover.’
‘Het is… nobel. Op een bepaalde manier. Niet heel fris, al vind ik verhalen over hoerenbezoek altijd opwindend, dat geef ik eerlijk toe. Ik vind jou ook niet ineens vies, of zo. Al voel ik wel de neiging om het op te nemen voor mijn geknechte zusters.’
‘Ben jij wel eens met de eerste de beste vent in bed gestapt, gewoon, omdat je zin had om te neuken?’
‘Ja.’
‘Veel verschil zie ik niet. De vrijwilligheid, die ontbreekt bij de hoeren. Het is op zijn best een zakelijke overeenkomst, en als je pech hebt wordt zo’n meisje gedwongen en uitgebuit. Dat is treurig; toch heb ik daar voordat ik je dit vertelde nooit een gedachte aan gewijd.’
‘Maar je bent wel soms echt verliefd. Op een vrouw. Die je dan niet meteen kunt nemen. Ik bedoel, beschikbaarheid is iets waar je aan gewend kunt raken.’
‘Je kunt eraan gewend raken en je kunt er langzaam maar zeker ook genoeg van krijgen. Verliefd worden is heel iets anders. De vrouw op wie je verliefd bent, is niet dezelfde als de vrouw die je voor een uur inhuurt, alleen om te vrijen.’
‘Je kunt het mooi zeggen.’
‘Het morele oordeel dat de meeste mensen vellen, dwingt me tot een formulering die me in staat stelt om mijn gedrag te omvatten. Vroeger, toen ik twintig was, dacht ik er niet bij na.’
‘Heb jij een gelukkige jeugd gehad?’
‘Niet echt. Een gewone jeugd, maar ik was somber, zorgelijk, altijd ziek, ik had astma, en ik verveelde me te pletter. Alleen met de inwonende opa, stokdoof, had ik goed contact. Voor de rest was ik, geloof ik, vooral eenzaam. En jij?’
‘Ik had een geweldige jeugd.’
‘Dat dacht ik al.’
‘Ja hè? Mijn ouders waren heel lief. Ik woonde in een middelgrote stad. Mijn talenten mocht ik benutten. Ik werd geprezen, maar kreeg kritiek als het nodig was, zij het altijd in bedekte termen en met de mantel der liefde omwikkeld.’
‘En je zat op een Vrije School?’
‘Uiteraard.’
‘Het kon niet missen.’
‘Luister eens, meneer de schrijvende hoerenloper. Met je afwezige ouders en je lieve opa. De jeugd is belangrijk voor je latere leven. Toch ben ik niet de actrice geworden die ik ben omdat mijn ouders zo aardig tegen me waren of omdat ik op een school zat waar ik niet heb leren spellen, zodat een carrière als schrijver bij voorbaat was uitgesloten. Ik ben geworden wat ik ben omdat ik heb doorgezet. Volgens mij geldt voor jou hetzelfde. De rest is, inderdaad, karakter. Jij bent niet het zonnetje in huis. Ik soms wel. En soms niet.’
‘Daar drinken we op.’
‘Vooruit dan maar. Nog een.’

WE LIEPEN NAAR het Centraal Station. Ik had inmiddels de laatste gewone trein gemist. Haar fiets wilde niet meer doen wat hij moest doen, recht naast me blijven rollen zonder al te veel ophef te maken. Ze liep links naast me en vertelde een verhaal over haar man, waarin ze hem bezong als de liefde van haar leven.
Het klonk wanhopig, vond ik.
Ik was niet helemaal onpartijdig, uiteraard, en ik had geleerd dat sommige dingen, hoe mooi en waarachtig ook, toch voorbij gaan. Zoals gevoelens van liefde voor een bepaald persoon.
Ik luisterde niet echt. Ik vond het jammer dat ik haar moest achterlaten in Amsterdam.
‘Je ziet me snel weer.’
Verbaasd keek ik haar aan.
‘Ik ben heel gevoelig,’ zei ze, ‘dat weet je inmiddels. Niets ontgaat me, zeker niet als het mezelf betreft.’
‘Je bent een secreet.’
‘Ook. Maar niet alleen. Je moet het zo zien. We hebben elkaar vandaag ontmoet en kennen elkaar nu alles bij elkaar bijna een halve dag. Er is nog niks gebeurd. Wat we wel zeker weten, is dat we elkaar nog een keer zien. En nog een keer.’
‘Ik kom niet meer bij de repetities.’
‘Nee. Maar we zijn grote mensen. Met e-mailadressen. Facebook en Twitter. Een mobiele telefoon, wellicht.’
Ze haalde haar telefoon tevoorschijn en voegde me aan haar contactenlijst toe.
‘Ik stuur jou wel een bericht. Volgens mij ben je in staat om je telefoon hier ter plekke te vernielen als je mijn gegevens intoetst. Iets zegt me dat je niet erg handig bent.’
‘We moeten daar echt iets aan doen. Ik heb geen zin in gekibbel. Daar heb ik na mijn vorige relatie definitief afstand van gedaan. Ik wil er niets meer mee te maken hebben.’
‘Jij niet, maar ik wel. Een beetje gekibbel is gezond, zo zie ik het. Wie niet kibbelt, is dood. Bedenk vooral: mijn intentie is anders dan die van je ex. Ik kibbel om het kibbelen.’
We waren bij het station. Ik zette haar fiets op de standaard, dicht bij de ingang. Dat gaf ons de gelegenheid om het gesprek nog heel even voort te zetten.
‘Is dit een scène uit een film?’
‘Misschien. Dat hangt ook af van de rest van het scenario.’
‘Oké.’
‘Ik ga je een bericht sturen. Met mijn gegevens. Die moet je dan niet kwijt raken hè?’
‘Ik doe mijn best.’
‘En dan spreken we een keer wat af.’
‘Een geweldig idee.’
‘Ik kan misschien wel naar Utrecht komen, wie zal het zeggen.’
‘De stad verheugt zich.’
‘Ik ook. Nou schrijver, ik ga. Jij moet om kwart over twee de trein hebben.’
‘Om zeventien over twee.’
‘Ja. Precisie is het wapen waarmee de sukkels hun feiten te lijf gaan. Kom eens hier.’
Ze sloeg haar armen om me heen en ging dicht tegen me aan staan. Ik voelde haar lichaam, rook haar geur, de wijn die ze gedronken had, het wasmiddel waarmee ze haar kleding had gewassen, de druppel zweet die in de holte bij haar linkersleutelbeen tot stiltand was gekomen. Na een paar minuten zo te hebben gestaan, gaf ze me een zoen.
‘Dank je.’
‘Rare. Niks te danken. Je mag me ook nooit meer bedanken. Hoewel: jij bedankt. Voor die monoloog. Voor onze halve dag.’
Ze fietste richting de Prins Hendrikkade, waarna ze ergens naar een van de zijstraten van de Haarlemmerstraat zou gaan, naar haar huis, hun huis. Ik keek haar na.
Haar lichaam bewoog door de nacht. Op die fiets zonder licht. Ik kon haar heel lang nakijken. Miste ik haar? Nee, ik miste haar niet. Ik wist dat ik haar terug zou zien. Dat er iets gebeurd was wat ik niet meer kon veranderen, dat mijn leven was veranderd.
Op het station kocht ik twee halve liters bier. Ik was net op tijd voor de trein naar Utrecht. In mijn coupé zat een dameshockeyteam dat een gesprek voerde over de lengte van de pik van de aanvoerder van het herenhockeyteam. Hij kwam er genadig van af; alleen vond een van de meisjes dat zijn stoottechniek te wensen overliet.
Ter hoogte van Amsterdam Amstel kreeg ik een sms: Wat ben je aan het doen? Ik antwoordde: Aan het luisteren naar een gesprek over de lengte van de pik van de aanvoerder van het herenhockeyteam. Daarna ontving ik voor het eerst van mijn leven een smiley, gevolgd door de tekst: En?
Ik sms’te niet meer terug. Ter hoogte van Breukelen meldde ze dat ze ging slapen. Het was een lange, maar goede dag.
Gelukkig, alsof ik van een geslaagd feest terugkwam, liep ik de dertig minuten naar mijn huis.
Ik loop naar huis, de fietsenstalling is al dicht en ik heb geen geld meer voor een taxi. Daar kwam geen antwoord op. Ze sliep.

OPA STAK ZIJN pijp opnieuw aan.
‘Daar moet je over schrijven jongen.’
‘Ja. Maar dat durf ik niet.’
‘Daarom zeg ik “schrijven”. Dit is het verhaal waar je naar op zoek bent. Niet dat verhaal over die Duitse soldaten, waar je al over hebt geschreven. Je moet die oude onderwerpen nu laten rusten. Doorgaan.’
‘Moet ik dan ook schrijven hoe ik nu al drie jaar na elke ontmoeting met haar half depressief naar huis ga, omdat ik toch niet durf te zeggen dat ik van haar hou?’
‘Waarom niet?’
‘Zal ik schrijven dat mijn liefdesleven zich centreert rond korte affaires met vrouwen van wie ik niet hou, op wie ik zelfs niet verliefd ben. Dat ik soms naar een hoer ga die op Cherry Potter lijkt…’
‘Cherry Potter?’
‘Zoek dat maar op als je weer de eeuwigheid hebt. Dat ik naar die hoer ga soms, omdat ik haar lekker vind, maar dat ik toch aan Laura denk als ik het met die vrouw doe?’
‘Schrijf het allemaal op, als je denkt dat het moet. En naast het werken aan je boek moet je vooral iets doen. Haar vertellen hoe de vork in de steel zit.’
‘En dan?’
‘Dan is ze in elk geval op de hoogte.’
‘Ik durf niet opa. Ik ben net zo schuchter als toen ik op de middelbare school zat en twee jaar lang wanhopig verliefd was op een meisje. Toen ik mijn moeder om advies vroeg, zei ze: “Ga eens een ijsje met haar eten.” Daarna heb ik mijn moeder nooit meer advies gevraagd.’
‘Zo’n slecht advies was het niet.’
‘Ik durfde niet, en nu durf ik ook niet.’
‘Er zit maar een ding op. Onverschrokken zijn. Wat heb je te verliezen? Het eind van het verhaal is op papier iets anders dan het eind van het verhaal in het echt. Je hoeft er niet bang voor te zijn.’
‘Ik ben bang dat ik een fout bega als ik het haar vertel.’
‘Zie je…’
‘Laat het maar.’
‘Nee nee. Je gaat schrijven en haar bellen. Ik krijg soms de indruk dat je weliswaar slim bent, maar op een domme manier.’
Ik lachte.
‘Ik beloof het, opa.’
‘Je bent vrij om te doen wat je wil. Vrij om te schrijven wat je wil. Overzie die gebeurtenissen en trek er lering uit. Wees vrij. Je hebt na je scheiding besloten om je vrij te voelen, nu moet je ook durven om zo te leven.’
‘Ik durf het nog niet goed. Of zei ik dat al?’
‘Het is nu of nooit. Over tien jaar ben je zestig en dan hoeft het niet meer. Geloof me: zestig is ouder dan vijftig. Je hebt nog even de tijd om alles van je af te gooien. Die relaties van niks. Het gezeur rond de scheiding. Je liefde voor Laura. Handel en neem je leven, je werk, in eigen hand, jongen.’
‘Goed. Ik heb het gesnapt.’
‘En wat ga je ermee doen? Ik ben niet teruggekomen om me met loze beloften te laten afschepen.’
‘Straks bel ik Laura. Ik maak een afspraak. Tijdens die afspraak vertel ik precies wat ik voor haar voel. En vanmiddag begin ik aan een nieuw boek.’
‘Zo mag ik het horen. Actie. Wil je nog een kop koffie voor me halen trouwens? Eentje, dat kan nog net.’
Ik liep naar de keuken, schonk de mok vol koffie, deed er melk en suiker in en ging weer naar de slaapkamer. Die was leeg. Ik zette de mok naast het bed op het nachtkastje en keek of hij in de badkamer was, of in de woonkamer. Nee.
De geur van pijptabak hing nog door de hele etage.
Ik tilde de mok weer op en dronk de koffie. Ongelooflijk, dat iemand koffie met melk en (veel) suiker kan drinken – en dat een heel leven lang.
De telefoon ging. Ik pakte hem van het nachtkastje. Het was halftien in de ochtend. Ik zag het nummer van de beller.

© Chrétien Breukers

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s