Karl Lagerfeld als vrouwenhater?

De verhouding tussen de seksen is een mijnenveld, en dan druk ik me nog eufemistisch uit. Wederzijds onbegrip is de benzine voor een over het algemeen eindeloze sleep aan misverstanden, zonder welke de hele voorstelling de moeite niet waard zou zijn. Stilstand is achteruitgang. Kijk maar eens goed naar stellen die al heel lang bij elkaar zijn: het schrijnende gebrek aan misverstanden (‘berusting’) heeft het licht in hun ogen gedoofd en de begeerte uit hun lijven gebrand. Het valt niet mee om levend te blijven. Doorgaan met het lezen van “Karl Lagerfeld als vrouwenhater?”

Carnaval (uit: Een zoon van Limburg)

In maart 2014 verscheen Een zoon van Limburg. Daarin staat een hoofdstuk over carnaval, het feest dat het zuiden van Nederland dit weekend opnieuw treft. Hieronder het (bewerkte) hoofdstuk.

Voetnoot: sommige dingen veranderen, in vijf jaar. Ik zie dat ik het in mijn tekst over Mart Smeets heb, en wie weet nog wie dat is? Hij is van de televisie verdwenen, ook al leek hij decennia lang net zo hardnekkig als psoriasis of huidschimmel. Sic transit gloria mundi. Doorgaan met het lezen van “Carnaval (uit: Een zoon van Limburg)”

Teruggevonden gedicht uit 2018

Er zijn levens over. Ik ben tot eindeloos
herhalen van het eind bereid, maar in je lijf.
Je vlees en ik, wij gaan per dag het liefst een keer
of duizend dood, komen tot leven en vergaan.

Vergaan en komen overeind. Je slaat een laken
om je lendenen en loopt van bed naar keuken
en terug. In je rechterhand de fles, je linkerhand
gebald tot vuist. Ik hoor je ongemakkelijke gang.

Sla me maar. Ik voel je toch. Maak beide vuisten
vrij en ga tekeer tot je geen lucht meer hebt.
Ik krijg weinig blauwe plekken van een schim.

Er is geen schim en niemand heeft je ooit gezien.
Je ligt te knorren in ons bed. Je ademt opgelucht.
Er is nog zo veel over. Er is nog zo veel niet.

© Chrétien Breukers

Doing Time: Techching Hsieh

Life is a life sentence; life is passing time; life is freethinking.’ Dit is de poëtica van Tehching Hsieh. Ik wist tot eergisteren niet wie hij is. Tot ik in Red Parts van Maggie Nelson over zijn performancekunst las. Die houdt zich voornamelijk bezig met het verstrijken en voorbij laten gaan van tijd. Tehching Hsieh koos daarvoor steeds de eenheid van een jaar, waarbinnen hij zichzelf een bepaalde opdracht gaf: ‘Ga een jaar niet binnen in een gebouw, maar dan ook echt: in geen enkel’, ‘Klok een jaar lang elk uur in op een prikklok’, en zo voort. Die jaren legt hij vast op foto’s, filmbeelden en door hem verzamelde documenten en kleding. Doorgaan met het lezen van “Doing Time: Techching Hsieh”

Karl Lagerfeld: de man met de konijnenkop

De moeder van de sigarenboer was naar Parijs geweest en had daar kennisgemaakt met Karl Lagerfeld. Dat kwam zo. De kappersjongens  van de Damstraat hadden een kapperscongres in Parijs. Eén van de jongens kon zijn moeder meenemen. De andere jongen zijn moeder was dood. Daarom vroeg hij aan de moeder van de sigarenboer of ze substituut-moeder wilde zijn. Eén week Parijs, all inclusive. Dat wilde de moeder van de sigarenboer wel. En daar gingen ze, met bontjassen en kekke jurken van de overleden moeder van één van de kappersjongens in de achterbak: de moeder van de sigarenboer moest er netjes opstaan tijdens de feestelijkheden die het congres zouden omlijsten. Doorgaan met het lezen van “Karl Lagerfeld: de man met de konijnenkop”

Bruno Ganz (1941-2019)

Bruno Ganz was lange tijd de Engel die boven Berlijn vloog. Wie Bruno Ganz zei, zei: Engel. Daarna was Bruno Ganz, tot het einde van zijn leven, Hitler. Toen hij de engel speelde, werd hij geregisseerd door Wim Wenders. Hitler kreeg aanwijzingen van  Oliver Hirschbiegel. Ik durf beide films niet terug te kijken. Die van Wenders niet omdat hij waarschijnlijk te kunstzinnig is. Die van Hirschbiegel niet omdat ik de moeite die erin wordt gedaan om te acteren de eerste keer ook al niet kon verdragen. Doorgaan met het lezen van “Bruno Ganz (1941-2019)”

In de metro (32)

In het metrostation, vlakbij de doorgang naar de roltrappen, ligt een man op de grond. Hij stinkt, hij is oud en hij bloedt. Naast hem staat een veiligheidsbeambte die hem vragen stelt. Hij geeft geen antwoord. Hij veegt bloed uit zijn gezicht met een paar servetjes van bakkerij PAUL. Ik blijf staan om te kijken. Ik vertrouw de beambte niet. Misschien is hij degene die de man zijn bloedende hoofdwond bezorgde. Dat lijkt niet te kloppen. Er komen twee ambulancebroeders naar beneden. Ze voegen zich bij de beambte en vragen aan de zwerver — je kunt wel zeggen dat de man er als een zwerver uitziet, en dus, zeer waarschijnlijk, een zwerver is — wat er met hem aan de hand is. Het gaat špatný. Ja, dat hadden we al gezien. Doorgaan met het lezen van “In de metro (32)”