Voor de verre prinses, tweede vervolg

Op 18 februari 2018 schreef ik dit: ‘Een jaar geleden verscheen Voor de verre prinses, een bundel liefdesbrieven bij gedichten. Ik heb een paar keer geprobeerd om een ‘vervolg’ te schrijven. Blijkbaar had ik er een jaar voor nodig. Dit is of de eerste brief van een vervolg, of de slotbrief. Of misschien is de tekst wel iets anders.’  Dat vervolg staat hier >> Vandaag, op de altijd zo moedeloos makende Gedichtendag, een nieuw vervolg.

Zieken

Soms denk ik dat het niet meer om u gaat
en loop u in mijzelve kwijt te raken.
Maar in de muren vallen grote gaten;
verderf-engel die niemand overslaat.

Een doorkijk in een straat is een visgraat.
Grondroosters vreten weg. De voeten haken.
Groen zien de brievenbussen en naamplaten,
waarop geen letter meer te lezen staat.

Dood overal; skelet van stad die sterft,
omdat het leven overbodig wordt
zonder uw tred tegen de gevels aan.

Wanneer uw beeld van binnen uit bederft,
moeten mijn verzen als een huis vergaan
waarvan de zolder in de kelder stort.

Liefste kwijtgeraakte,

Vorige weekend was ik in Den Haag. Altijd als ik in die stad ben, denk ik aan Gerrit Achterberg, een dichter die er maar kort heeft gewoond. Hij schreef wel dat uitgekauwde ‘Passage’: ‘Den Haag, je tikt er tegen en het zingt.’ Tijdens mijn eerste bezoek aan de stad, ging ik met de tram naar Scheveningen. Een oude mevrouw wilde instappen, maar werd daardoor gehinderd door een punkachtig meisje. Toen de mevrouw vroeg of ze erlangs mocht, zei dat meisje: ‘Kejje dat niet wat beleefder vragen, kankerhoer.’ Het was mijn kennismaking met de zang van Den Haag.

Soms vraag ik me af, of Gerrit Achterberg een groot dichter is. Een onzinnige vraag natuurlijk, als je er echt goed over nadenkt. Sommige van zijn gedichten hebben het nog steeds, nu nog, meer dan vijftig jaar na zijn dood (wanneer stierf hij eigenlijk?). Dat is meer dan genoeg, en er zijn genoeg dichters die nooit een gedicht schrijven dat het heeft, laat staan een gedicht dat het over vijftig jaar nóg heeft.

Altijd als ik in Den Haag ben, denk ik ook aan jou. Op zich is dat niet heel gek, ik denk namelijk vaak aan je. In mijn persoonlijke sprookjesboek ben je één van de weinige hoofdpersonen. Soms vermoed ik dat mensen tijdens hun actieve leven verhalen sparen, om hun oude dag meer door te kunnen komen. Als je voor je vijfenzeventigste niet genoeg verhalen hebt gespaard, ga je een vervelende levensavond tegemoet. Ik ben benieuwd hoe ik de bladzijden waarop jij voorkomt in de toekomst lees, en of ik ze aan iemand voorlees.

Het gedicht hierboven is uit een reeks, getiteld ‘Ode aan Den Haag’. Die stond in de eerste jaargang van Maatstaf en is na te lezen op DBNL. In die (niet echt vrolijke) ode komen soms herkenbare Haagse plekken voor, maar ik heb geen idee waar het gedicht ‘Zieken’ op slaat of zich afspeelt. Dat maakt niet uit. Ik kende het gedicht niet en kwam er per ongeluk bij uit toen ik naar ‘Passage’ zocht. En plotseling sprak het gedicht tegen me, ik voelde me meteen gegrepen door de eerste regels en door deze formulering: ‘omdat het leven overbodig wordt / zonder uw tred tegen de gevels aan.’ Het is een gedicht over het vergeten, over dingen die vergaan, over alles wat vermolmt en vergaat, over steden die verdwijnen — en plaats maken voor nieuwe steden.

Ik liep een paar dagen rond door het voor Achterberg, mocht hij plotseling tot leven komen, waarschijnlijk onherkenbare Den Haag. Zelf heb ik er ook herinnering liggen aan gebouwen die verdwenen zijn, zoals de Zwarte Madonna. Altijd als ik in de buurt van het station ben, denk ik: Op die plek heb ik in een nu gesloopt gebouw gelogeerd. Ik zou niet eens weten welk gebouw er tegenwoordig staat. Mijn hersens weigeren dat al jaren op te slaan. Mijn ‘echte’ beeld van de stad verdwijnt (nog) niet.

Wat Achterberg niet kon weten, en voor zijn gedicht niet nodig had, was dat steden tegenwoordig niet meer verdwijnen. De grote lijn van het gedicht — stervende stad, vervallende wijken en huizen, het lichaam van de dichter en van de ‘u’ als instortend huis, de verkruimelende poëzie — is nu ik dit lees, en nu ik in Den Haag en andere steden ben geweest, nauwelijks meer voorstelbaar. Steden veranderen aan de lopende band, maar ze vergaan niet meer. Voordat ze daar de kans toe krijgen, wordt er een plan gemaakt. Gemaakt én uitgevoerd.

Vorige week was ik ook één avond in Utrecht, de stad die ik bijna als geen andere ken. Rond het station is alles, of bijna alles, net als in Den Haag en tig andere Nederlandse steden, veranderd. Zelfs in vergelijking met 26 mei 2017, toen ik naar Naar Praag verhuisde, is de stad nu onherkenbaar. Dat was overigens geen vlucht, die verhuizing. Het was een vlucht naar voren, de verantwoordelijkheid in. Ik weet niet of die vlucht lukte, ik ben er nog steeds mee bezig, ik haal mijn kop per dag een kleine eenheid uit het zand. Soms kan ik dingen zien. Ik zag bijvoorbeeld het nieuwe Hoog Catharijne, de lichtjes overal, de eindeloos hoge gangen, de doorsteek naar de stad die er nooit was, omdat daar kantoorgebouwen stonden — ik zag een stad die bij afwezigheid besloten had van gedaante te wisselen.

Ik zag overal vrolijkheid en kooplust en leven.

Hoe zou Achterberg dáár een gedicht van hebben gemaakt?

Achterbergs slotstrofe is een uppercut: ‘Wanneer uw beeld van binnen uit bederft, / moeten mijn verzen als een huis vergaan / waarvan de zolder in de kelder stort.’ Zelf had ik geschreven: ‘Als je beeld van binnenuit bederft, moeten mijn verzen, als een huis waarvan de zolder in de kelder stort, vergaan.’ Dat komt omdat ik, het is Gedichtendag 2019 terwijl ik dit overdenk, geen gedichten meer maak. Of heel weinig gedichten meer maak. Ik heb afscheid genomen van de poëzie, iets wat ongeveer samenviel met het afscheid nemen van jou. Als ik een gedicht schrijf, heb ik het idee dat ik een vorm van verraad bedrijf. Aan wat? Of wie? Ik heb geen idee, ik weet alleen dat het zo voelt.

Of waarschijnlijk is dat gevoel van verraad een putdeksel. Die sluit het gevoel van misluktheid af, waar ik soms aan lijd als het de poëzie in het algemeen betreft, en die van mij in het bijzonder. En een gevoel van teleurstelling. ‘Dát is het dus. Meer wordt het niet.’ Ik voel me de laatste jaren vrijer als ik kan schrijven wát ik wil, wanneer ik wil, in welke vorm dan ook. Ik wil het eigenlijk allemaal niet weten. Ik weet alleen dat het schrijven van poëzie sinds mei 2017 als verraad voelt, en dat ik wat ik kan zeggen alleen in proza min of meer gezegd krijg.

Hoewel, dat min of meer is dan alleen het geval als het echt goed gaat. Want de drie jaar dat ik nu al bezig ben aan En in de nacht een riem, hebben me één ding geleerd. Schrijven gaat niet altijd vanzelf. Vroeger wel. Ik ademde tekst. Tot ik geen tekst meer ademde en ik vaak moest denken aan de regels van Jan Eikelboom:

Maar nee, wat bij mij ingaat
moet bezinken,
verdicht zich tot een sprake-
loos substraat
dat roerig wordt en uit wil breken
en soms vermomd de mond verlaat.

Nu heb ik het ding voor de derde, of misschien vierde keer af. Alleen klopt de titel niet meer, of beter gezegd: de titel is zo ongeveer het enige wat is overgebleven van mijn oorspronkelijke idee. Voor de rest is alles anders geworden, levendiger, deze tekst lijkt de oude achter zich te hebben gelaten. Alles wat ik eerst schreef was vals, onoprecht, romantisch, — ik zag nog niet dat je steden kunt herbouwen, dat ze niet hoeven te vergaan voordat het aanzicht ervan verandert.

Ik schrijf geen gedichten meer omdat ik ben veranderd. Ik draag tegenwoordig een horloge en een portemonnee en ik heb twee armbanden. Soms, als ik die twee ’s ochtends om doe, denk ik aan jou. Het leer ruikt lekker en voelt goed op mijn huid. Het leer opent een wereld waarin we hebben rondgelopen, doorkijkjes waar we bij stilstonden. Kijk, nu wordt het proza dat ik schrijf al bijna poëzie. Weg ermee. In mijn jonge jaren was ik gefascineerd door verval. De jaren tachtig van de vorige eeuw waren daarvoor een mooi decor. Alles ging kapot. Niemand had werk. Het was een kwestie van tijd voordat we allemaal met werken zouden stoppen. De spelende mens was in aanbouw. Gelukkig is dat allemaal al bijna veertig jaar geleden.

Ik studeerde tussen 1983 en 1988. Af en toe waren er grote studentendemonstraties in Den Haag. Dan kon je gratis met de bus mee, via de Studentenvakbond. Ik ben een keer of drie op die manier naar Den Haag gereisd. Vlak voordat de stoet (‘Deetman, de slachter van Den Haag’) het Malieveld bereikte, splitste ik me af en ging het centrum in. De grootste attracties: de Slegte en McDonalds. Ik kocht oude boeken en at een cheeseburger. Met een Fanta. Om vijf uur nam ik de bus terug naar Nijmegen.

Als ik vaak in een stad kom, wil ik er gaan wonen. Nijmegen, Amsterdam, Berlijn, Utrecht, Rotterdam, Praag, en nu Den Haag: in alle steden zou ik me thuis kunnen voelen of voelde ik me een tijdlang thuis. Ik ben meer en meer gefascineerd door het nieuwe dat er te zien is. Het verval, dat minder en minder de kans krijgt om om zich heen te grijpen, ontgaat me. Dat heb ik geïnternaliseerd. Ik loop rond en verbaas me. Bewonderen doe ik niets, want ik hoorde Peter Handke in een interview ooit zeggen dat iedereen kan bewonderen. Het gaat er volgens hem om, dat iets je van de sokken blaast. Ik loop rond en laat me soms van de sokken blazen.

Wat betreft de titel van En in de nacht een riem. Ik had het daar met R. over, afgelopen maandag. Hij zei: ‘Ik heb het nooit zo’n goede titel gevonden.’ Plotseling snapte ik wat ik moest doen. Een andere titel bedenken. Dan heeft de slang zijn vorige huid definitief afgegooid.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s