Fragment uit Ze zullen denken dat we engelen zijn

De nieuwe roman van Bert Natter is voor zover ik weet de eerste Nederlandstalige roman waarin een terroristische aanslag in Nederland wordt gepleegd. En wat voor één. En hoe beschreven! Twee van de mensen die daarbij betrokken zijn, ontmoeten elkaar tijdens die aanslag en raken verwikkeld in wat enige tijd op een beginnende relatie lijkt. Wie zijn zij? Hij is een man wiens leven niet helemaal lekker verloopt. Hij is chauffeur van een busje dat gehandicapte kinderen naar hun dagverblijf brengt. Ooit had hij echt werk en een leven. Er is iets met zijn verleden, maar wat? Zij is een min of meer gelukkig getrouwde vrouw, die na de aanslag verliefd wordt op de man. Net zoals hij verliefd wordt op haar.

Maar is het wel liefde? Of is er hier iets anders aan de hand? En zo ja, wat? Kortom, we weten het niet, zelfs niet als we Ze zullen denken dat we engelen zijn hebben gelezen. Ik denk dat deze roman, na Remington, mijn favoriete Natter is. Hij is op zijn best als hij een beetje gejaagd verteld over levens die tijdelijk, of voorgoed, op een zijspoor zijn beland. Over mensen die hun leven weer proberen terug te krijgen. Soms met succes, soms niet. In deze roman zijn dat, misschien, twee engelen. Wezens die plotseling opduiken en leven kunnen brengen, maar ook de dood. Een fragment:

Ik ben niet hier, ik ben niet waar mijn lichaam is, in mijn hoofd ben ik bij haar en stel dat zij in haar hoofd bij mij is, dan zijn we bij elkaar.

Hou jezelf voor de gek. Ik ben hier, alleen hier.

Ik draai niet om, ik ga niet naar de branding. De golven zijn mij te hoog, de zee is me te woest, ik zoek rust. De wind waait me terug naar het duin.

Je hebt natuurlijk onbeantwoorde liefde, maar je hebt ook liefde die onmogelijk beantwoord kon worden omdat ze nooit is gegeven. Ongegeven liefde moet je die noemen. Of ongevraagde liefde.

Ik schuif op mijn buik door het onwillige helmgras naar de top van het duin.

Halverwege niet omkijken.

Boven. Ik had een foto moeten maken. Ik had haar nooit moeten laten gaan.
Ik ga zitten in een kuil waar ik in pas en streel een indruk die in het zand is achtergebleven.
Het komt door de regen dat mijn wangen nat zijn.

Het laatste geluk besluipt me. De storm gaat nooit meer liggen, de zee wordt niet meer vlak, het wachten is op de maan en de sterren en de nacht en de duisternis.

Met een leeg hart en een hoofd vol liefde wacht ik op de top van het duin, want als het water me niet meeneemt, als ik niet sterf van verveling, honger of dorst, als wroeging, spijt en verdriet me niet verstikken, als ik niet krankzinnig word van verlangen, als de wind weigert me onder het zand te bedekken, als ik niet uit wanhoop de woedende zee in loop, als ik niet opsta en naar huis toe ga, als er geen engelen uit de hemel dalen om me mee te nemen, als de tijd niet stopt om een eind aan mijn verhaal te maken, dan zit ik er nog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s