Fragment uit The White Album

We tell ourselves stories in order to live‘ – dat is de openingszin van The White Album, een essaybundel van Joan Didion. Wat je ook over het boek kunt zeggen, wit is het niet. Wel ‘gaat’ het, net zoals de gelijknamige dubbelelpee van The Beatles, over het einde van een periode, de jaren zestig, Didion schrijft over zichzelf in die periode, over haar belevenissen als journalist, scriptschrijver, schrijver, getrouwde vrouw, moeder, liefhebster van winkelcentra, al is liefhebster niet helemaal het goede woord. Ze was er een tijdlang door geobsedeerd, zoals uit het essay ‘On the mall‘ blijkt.

Het is het enige stuk waar ik hardop om moest lachen. Niet omdat het een grappig stuk is, maar omdat ze erin uit de kast komt als iemand die ooit fantaseerde over het beginnen van een eigen mall. Als zoon van een kruidenier spreekt mij dit zeer aan. Didion is van alles, maar niet vrolijk. Haar reportages, memoir-achtige stukken en essays zijn soms tot op de rand van het verdraagbare ‘depressief’. Didion schrijft over een tijd die, bij nader inzien, niet heel vrolijk was. Alles en iedereen ging eraan kapot, en toen was alles plotseling voorbij.

(…) I first heard of James B. Douglas and David D. Bohannon not when I was 12 but a dozen years later, when I was living in New York, working for Vogue, and taking, by correspondence, a University of California Extension course in shopping-center theory. This did not seem to me eccentric at the time. I remember sitting on the cool floor in Irving Penn’s studio and reading, in The Community Builders Handbook, advice from James B. Douglas on shopping-center financing. I recall staying late in my pale-blue office on the twentieth floor of the Graybar Building to memorize David D Bohannon’s parking ratios. My “real” life was to sit in this office and describe life as it was lived in Djakarta and Caneel Bay and in the great chateaux of the Loire Valley, but my dream life was to put together a Class-A regional shopping center with three full-line department stores as major tenants.
That I was perhaps the only person I knew in New York, let alone on the Condé Nast floors of the Graybar Building, to have memorized the distinctions among “A,” “B,” and “C” shopping centers did not occur to me (the defining distinction, as long as I have your attention, is that an “A,” or “regional,” center has as its major tenant a full-line department store which carries major appliances; a “B,” or “community,” center has as its major tenant a junior department store which does not carry major appliances; and a “C,” or “neighborhood,” center has as its major tenant only a supermarket): my interest in shopping centers was in no way casual. I did want to build them. I wanted to build them because I had fallen into the habit of writing fiction, and I had it in my head that a couple of good centers might support this habit less taxingly than a pale-blue office at Vogue. I had even devised an original scheme by which I planned to gain enough capital and credibility to enter the shopping-center game: I would lease warehouses in, say, Queens, and offer Manhattan delicatessens the opportunity to sell competitively by buying cooperatively, from my trucks. I see a few wrinkles in this scheme now (the words “concrete overcoat” come to mind), but I did not then. In fact I planned to run it out of the pale-blue office.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s