The ballad of Buster Scruggs

Als een ‘gewone’ film een roman is, is The ballad of Buster Scruggs van de gebroeders Coen een verhalenbundel. En wat voor één! Of eigenlijk: Ja, wat voor één? Dat is nog niet zo gemakkelijk te zeggen. Wat wel zeker is: de zes losse verhalen hebben allemaal iets met elkaar te maken (duh!). Ik weet alleen niet precies wat. In een interview dat Bret Easton Ellis hem afnam, zegt Quintin Tarantino dat hij het script van een film als een apart kunstwerk ziet, los van de film die het moet worden. Soms schrijft hij dingen in het script die erin horen, ook al weet hij van tevoren dat ze de film niet halen. De tekst vraagt erom. Ergens, als de tekst en het beeld elkaar ontmoeten ontstaat, als het goed is, cinema. (En vanaf nu ga ik dingen uit de film verklappen, dus wie dat niet wil lezen moet niet op de link hiernaast klikken. Doorgaan met het lezen van “The ballad of Buster Scruggs”

‘The fight to change museum wall labels’

De woordkeuze is al zo merkwaardig: ‘The fight to change museum wall labels’ – welk gevecht, door wie gevoerd? Het artikel in The Guardian springt een beetje van de hak op de tak, maar als ik het goed begrepen heb is het belangrijk om de bijschriften bij kunstwerken zo aan te passen, dat het gedrag van kunstenaars (voornamelijk: kunstenaars uit het verleden) erin wordt beschreven naar normen van de personen die de bijschriften willen aanpassen. Ik zeg het expres een beetje formeel, omdat de lachwekkendheid van het geheel dan goed uitkomt. Doorgaan met het lezen van “‘The fight to change museum wall labels’”

Fragment uit Bright Lights, Big City

Als ik de boeken die ik in de jaren tachtig las, herlees, heb ik meestal het gevoel dat ik thuis kom. Niet dat ik de dingen die in Less than zero of Bright Lights, Big City of  zelfs Gimmick! worden beschreven ooit van dichtbij heb meegemaakt, maar er stijgt een mentaliteit op uit de pagina’s die ik meteen herken, alsof ik plotseling door mijn eerste studentenhuis wandel; iemand heeft voor een week nasi gekookt en de geur hangt in het trappenhuis, een geur vermengd met de zeeplucht die uit de douche komt en de brakheid die twee kratten lege bierflesjes, al maanden in een hoek van de gang wachtend op terugkeer naar de SPAR, uitwasemen. Ik ben er weer. Hier was ik thuis. Het was een tijd helemaal zonder internet, maar mét MTV en feestjes en handgemaakte blaadjes waarin zelfgeschreven teksten stonden en feesten die een dag of drie duurden, een tijd waarover je misschien romantisch zou kunnen doen, als hij niet tegelijkertijd zo deprimerend was (en donker, ongeveer net zoals alle tijden dus). In de jaren tachtig werd de naoorlogse periode afgesloten en er werd gepreludeerd op een nieuwe tijd, maar hoe die er precies uit zou gaan zien? Daar probeerde, toen, niemand aan te denken. Het was feest en crisis. Niks aan de hand. Doorgaan met het lezen van “Fragment uit Bright Lights, Big City

Ode aan Madison Young

De brandstofloze ruimtesondes in mijn hoofd,
daarvoor zocht ik een vorm. Ik kreeg respijt.

Er is een eeuwigheid waar niemand weet van
heeft en er is bijna niemand ooit geweest. Kom.

Je onderjurk maakt dat het sneeuwt in mij.
Een zijden wolk hangt nijdig tussen jou en mij.

Maar straks, je lichaam als een offerdier op bed
–rug en onderrug een rechte lijn van spijl tot spijl–

Straks is er overal een stilte waar iets waars
doorheen valt, zwaar en met geluid van slag.

© Chrétien Breukers

Madison Young is actrice en bondage-model. Ze schreef een boek: Daddy, the memoir.

In de metro (21)

De vrouw die op Florenc instapt, gaat zitten alsof ze aambeien heeft. Elke beweging van de coupé brengt haar gezicht in beroering. Af en toe verplaatst ze haar tas, van de linkerkant van haar schoot naar de rechter. Naast haar zit een man die probeert om zijn hand onopvallend in zijn broek te manoeuvreren. Niemand ziet het. Niemand? Ik zie hoe hij de hand naar binnen schuift, even rond laat woelen en na gedane arbeid kort naar zijn neus brengt om zijn eigen lucht in te ademen. De vrouw maakt het allemaal niet uit, die vertrekt om de paar seconden haar gezicht van de pijn. Doorgaan met het lezen van “In de metro (21)”

Een brief aan Robert Smith

In mijn droom woonde ik in een huis dat ik niet kende. Ik had een brief geschreven aan Robert Smith en een brief aan iemand anders, ik wist niet wie. Omdat ik had gelezen dat er net postzegels waren uitgegeven, gewijd aan The Cure, misschien was er een jubileum rond de band te vieren, dacht ik: Dat is leuk, een brief aan Robert Smith frankeren met een postzegel waarop The Cure staat, misschien krijg ik wel een zegel waar hij zelf op staat, waarschijnlijk ben ik de eerste die zoiets doet en dan moet hij daar om lachen. Of glimlachen. Doorgaan met het lezen van “Een brief aan Robert Smith”

Fragment uit The White Album

We tell ourselves stories in order to live‘ – dat is de openingszin van The White Album, een essaybundel van Joan Didion. Wat je ook over het boek kunt zeggen, wit is het niet. Wel ‘gaat’ het, net zoals de gelijknamige dubbelelpee van The Beatles, over het einde van een periode, de jaren zestig, Didion schrijft over zichzelf in die periode, over haar belevenissen als journalist, scriptschrijver, schrijver, getrouwde vrouw, moeder, liefhebster van winkelcentra, al is liefhebster niet helemaal het goede woord. Ze was er een tijdlang door geobsedeerd, zoals uit het essay ‘On the mall‘ blijkt.

Het is het enige stuk waar ik hardop om moest lachen. Niet omdat het een grappig stuk is, maar omdat ze erin uit de kast komt als iemand die ooit fantaseerde over het beginnen van een eigen mall. Als zoon van een kruidenier spreekt mij dit zeer aan. Didion is van alles, maar niet vrolijk. Haar reportages, memoir-achtige stukken en essays zijn soms tot op de rand van het verdraagbare ‘depressief’. Didion schrijft over een tijd die, bij nader inzien, niet heel vrolijk was. Alles en iedereen ging eraan kapot, en toen was alles plotseling voorbij. Doorgaan met het lezen van “Fragment uit The White Album