Laat ons de stilte meevoeren – over Rui Cóias

Poëzie die over de stilte gaat, is een paradox. Iets wat wordt gezegd, doorbreekt de stilte. Die paradox is waar veel dichters, van Hadewijch tot Gerrit Kouwenaar, mee spelen. Of misschien is spelen een te licht woord voor wat ze doen. Die stilte is het slagveld waarop ze geluid maken. De dichter Rui Cóias schrijft zijn gedichten op dat slagveld: ‘Laat de stilte ons meevoeren in haar kleur van niets’.

Vertaler Harrie Lemmens citeert Rui Cóias in zijn voorwoord bij de tweetalige bundel Laat de stilte: ‘Om te schrijven heb ik afstand nodig (…). Afstand van mensen en plaatsen, van vaste patronen.’ Deze bedachtzaamheid doortrekt de gedichten. Bij veel dichters krijgt dat iets vervelends, iets opgelegds. Cóias weet zich daaraan te onttrekken. Het heeft te maken met een bijna tot in het oneindige opgerekte concentratie, die hij zichzelf oplegt, alsof hij keer op keer kijkt naar welke woorden hij op welke manier ordent.

De stilte is bij deze dichter de stilte die voorafgaat aan nog meer stilte:

Laat de stilte ons meevoeren in haar kleur van niets
laat haar gepaard gaan met een hoorbare wind
en jou en mij leiden naar een einde dat ons wacht.

Er is heel weinig onderweg naar dit einde, de kleur van niets en een hoorbare wind. Tegelijkertijd is dat natuurlijk alles, dat ‘niets’ en die ‘wind’. Niet het rumoer van de wereld is belangrijk, maar alles wat daaronder of daarboven beweegt en flonkert.

En weldra, zeg ik je, jij die vele gezichten voorstelt,
zal van onze roekeloze eenzaamheid en zoveel herinneren
de stilte, nu een andere, de wind zijn die ons meevoert,
en niets, werkelijk niets zal zijn wat men denkt (…)

Dat is alles, lijkt de dichter te willen zeggen.

Dat is alles en dat kan alleen maar veranderen in iets anders dan wat we verwachtten. Wie lang stil is, aandachtig kijkt, weet niet wat hem of haar te wachten staat. Want dat neemt altijd zijn eigen karakter aan.

In zijn bezwerende taalgebruik, in de manier waarop hij steeds verantwoording aflegt en waarop hij steeds ‘onderweg’ is, vaak met twee mensen, ‘jij’ en ‘ik’, in de manier waarop incanteren voor hem een bijna liturgische vorm van taalgebruik wordt, heeft Cóias hier en daar iets weg van Leonard Nolens. Wat hem in die vergelijking redt, is zijn compromisloosheid, zijn niet-narcistische manier van schrijven. Waar het bij Nolens vooral over Nolens gaat, mikt Cóias meestal hoger (en op een bepaalde manier ook beter, zuiverder), of dieper.

Laat de stilte, een keuze uit Cóias’ meest recente bundeling Europa, is daarom ook een geëngageerde bundel. De dichter keert steeds terug in zichzelf maar is zich bewust van de positie die hij in de wereld inneemt. Hij reflecteert op ‘Europa’, op het werelddeel waar zijn cultuur in is geworteld, op de plek die hem heeft gevormd en die hem een thuis biedt. Heel vrolijk stemt Cóias’ engagement niet. Alles lijkt in zijn werk gedoemd om ten onder te gaan, om te verdwijnen, Europa is een plek waar:

(…) een deel van de ziel in de wereld, of de wereld
van dat gestremde kristal van vandaag en morgen
de dode sirenen van de herinnering verheft
die uit nabije en verre schaduwen
krassen door het dreunen van onze stappen
terwijl we de as drinken van wat ooit het Westen was.

Net als in de beroemde ‘Todesfuge’ van Paul Celan eindigt hier alles in as. ‘Het Westen’, niet voor niets met een hoofdletter, lijkt in de wereld van Cóias zijn beste tijd te hebben gehad. Het zal worden opgedoekt.

De poëzie van Cóias dwingt, juist doordat zij zo in zichzelf gekeerd is, tot nadenken over het (politieke) engagement, in de Nederlandstalige dichterswereld op dit moment een heet hangijzer. Zijn werk is betrokken op de wereld en op zichzelf – en daarin veel vitaler dan veel van de hitsig-lyrische poëzie die de afgelopen jaren voor geëngageerd door moet gaan. Cóias kan dieper boren omdat hij langer, en intenser, om zich heen kijkt – en hij verliest zich niet in tenenkrommende, tijdgebonden clichés.

In zijn wereld-betrokkenheid lijkt Cóias een compromis tussen de al genoemde Celan en Gerrit Kouwenaar te bereiken, met af en toe een kleine vleug Lucebertiaanse lyriek erdoorheen: hij heeft het strenge van beide dichters en de lyrische uithalen die ze zich allebei permitteren, wat hij op zijn eigen wijze invult en van een Cóiasiaanse inhoud voorziet. Cóias concurreert nadrukkelijk met grote dichters, zoals alle grote dichters doen.

Hoe zijn werk zich in de toekomst zal ontwikkelen is nog niet helder natuurlijk, maar ik zou best graag nog eens wat gedichten van hem in het Nederlands lezen. Harrie Lemmens weet het werk van deze Portugees virtuoos tot leven te wekken.

Rui Cóias
Laat de stilte
vertaling en voorwoord Harrie Lemmens
Uitgeverij Vleugels, 2018
112 pagina’s, € 21,90

Uit: Awater, najaar 2018

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s