Fragment uit The end of the affair

Graham Greene is een aparte schrijver. Iemand die romans en thrillers schreef, hoewel die thrillers heel vaak vermomde romans zijn. Vermomd is in dit verband een gek woord. De thrillers van Greene zijn ook romans, en niet alleen thrillers. Dichterbij een beschrijving kom ik meestal niet.

Zijn tweesporenbeleid in de letteren maakte hem lang tot een wat verdacht-achtige figuur. Iemand die je wel las, maar niet meteen vereerde. Ik heb The end of the affair al sinds ik het boek voor het eerst las, ergens in het begin van de jaren tachtig, in mijn eigen top 20 staan. Niet omdat het het beste boek is dat ik ooit las, het is wel een van de boeken die de meeste indruk op me maakte. Bij elke herlezing weer.

Onlangs herlas ik de roman voor de achtste of negende keer. Hij gaat over de liefde en is daarnaast een essay over schrijven. Dat viel me voor tijdens deze lezing voor het eerst echt volledig op. The end of the affair is dus ook een vermomd boek; misschien was dat de core business  van   Greene die ooit bij de geheime dienst had gewerkt; hij combineerde hier het verhaal van een grote liefde met zijn opvattingen over hoe te schrijven en weet me daarmee keer op keer te raken. Een fragment: 

And all that time I couldn’t work. So much of a novelist’s writing, as I have said, takes place in the unconscious: in those depths the last word is written before the first word appears on paper. We remember the details of our story, we do not invent them. War didn’t trouble those deep sea-caves, but now there was something of infinitely greater importance to me than war, than my novel – the end of love. That was being worked out now, like a story: the pointed word that set her crying, that seemed to have come so spontaneously to the lips, had been sharpened in those underwater caverns. My novel lagged, but my love hurried like inspiration to the end.
I don’t wonder that she hadn’t liked my last book. It was written all the time against the grain, without help, for no reason but that one had to go on living. The reviewers said it was the work of a craftsman: that was all that was left me of what had been a passion. I thought perhaps with the next novel
the passion would return, the excitement would wake again of remembering what one had never consciously known, but for a week after lunching with
Sarah at Rules I could do no work at all. There it goes again – the I, I, I, as though this were my story, and not the story of Sarah, Henry, and of course,
that third, whom I hated without yet knowing him, or even believing in him.
I had tried to work in the morning and failed: I drank too much with my lunch so the afternoon was wasted: after dark I stood at the window with the lights turned off and could see across the flat dark Common the lit windows of the north side. It was very cold and my gas fire only warmed me if I huddled close, and then it scorched. A few flakes of snow drifted across the lamps of the south side and touched the pane with thick damp fingers. I didn’t hear the bell ring. My landlady knocked on the door and said, ‘A Mr Parkis to see you,’ thus indicating by a grammatical article the social status of my caller. I had never heard the name, but I told her to show him in.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen. logo

Je reageert onder je account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )


Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s