Gut essen, of: een poging om van Vladislav Vančura te houden

Op verzoek van Johannes van der Sluis schreef ik voor zijn Tzum-rubriek Underground een tekst over de Tsjecho-Slowaakse schrijver Vladislav Vančura. De hele tekst is te lezen op Tzum.

Mijn eerste ontmoeting met Tsjecho-Slowakije verliep via mevrouw Váňová. Ze woonde aan de straat Polska in Praag in een zeer ruim tweekamerappartement in een negentiende-eeuws appartementengebouw. Ik herinner me het trappengebouw, de grote en hoge kamers, de enorme gang waaraan een keuken lag en de ouderwetse bedden waarin mijn toenmalige vriendin en ik sliepen, op matrassen nog van ver voor de fluwelen revolutie, en de bruinkool-gestookte boiler in de badkamer. Het meest herinner ik me mevrouw Váňová zelf. Ze leek erg op een achterbuurvrouw van ons in Leveroy. Ze sprak zeven zinnen Duits en was volgens mij dik in de zeventig. Ikzelf was toen begin twintig, dus ik kan me vergissen. Ze kan er ook oud hebben uitgezien, voor haar leeftijd. Ze droeg overdag een lichtblauw schort en was een groot deel van haar tijd bezig in die keuken. Als mijn vriendin en ik thuiskwamen van een dag rondlopen door de voor ons nieuwe stad, stond Váňová ons al op te wachten. In haar keuken had ze brouwsels van gehakt, tomaten, uien en paprika gemaakt. Die verdeelde ze over twee borden, waarna ze plechtig tot ons sprak: ‘Frau gut essen, Mann auch gut essen.’ Naast de tafel in onze slaapruimte, waar we moesten gaan zitten met onze borden, stond ze te wachten tot we alles weg hadden gelepeld. Mijn vriendin wist zich na twee dagen aan deze corvee te ontworstelen. Na thuiskomst wreef ze over haar buik en zei: ‘Bauch nicht gut. Monatlich.’ Daar had onze kokkin alle begrip voor, maar ik, de man immers, moest zeven dagen aan een stuk eten wat ze me voorzette. Ik leerde de toen nog Tsjecho-Slowaakse, nu Tsjechische gastvrijheid van nabij kennen. In de straat Polska had Franz Kafka nog enige tijd gewoond overigens, op nummer 28 als ik me niet vergis. We kwamen er elke dag, op weg naar mijn maaltijd, langs. Ik keek elke keer naar het huis en zag niets.

Menno Wigman (1966-2018)

Menno Wigman ontmoette ik voor het eerst tijdens de Beurs voor Kleine Uitgevers in 1987. Ik kan me nu bijna niet meer voorstellen dat het ooit 1987 is geweest en toch weet ik uit dat jaar (en uit de periode 1983-1995) soms nog meer dan uit de periode die in 1995 begon en zich nu langzaam naar een einde sleept. Samen met Rob van Erkelens stond ik op die beurs het blad Tristan te verkopen, een literair tijdsschrift (geen spelfout). Menno had een stand voor zijn blad Nachtschade – iedereen was bezig met het maken van blaadjes, het typen van stukken voor blaadjes, het rondbrengen van blaadjes, het verkopen van blaadjes, het ten grave dragen van blaadjes, om vervolgens nieuwe blaadjes op te richten – het was een dynamische én landerige tijd, New Wave was de muziek en als er al werd gedanst, keek iedereen naar beneden tijdens het dansen (‘kwartjes zoeken’). Doorgaan met het lezen van “Menno Wigman (1966-2018)”