Fragment uit De tuin van de familie Finzi-Contini

Uit: De tuin van de familie Finzi-Contini, vertaald door Jan van der Haar, De Bezige Bij, 2015, met een voorwoord van Bas Heijne: een van de boeken die je kunt blijven herlezen. Bassani schrijft over gebeurtenissen die weemoed oproepen, zonder dat hij direct weemoedig wordt, of de grens naar de sentimentaliteit oversteekt. Zijn melancholie zit tussen de dingen, in de gebeurtenissen, – ze kleeft aan de mensen. En ze is onderdeel van de geschiedenis die mensen vermorzelt maar verhalen niet kapot kan maken.

De nacht daarop bracht ik in grote opwinding door. Ik viel in slaap, werd wakker, viel weer in slaap. En steeds droomde ik van haar.

Zo droomde ik dat ik, net als de allereerste keer dat ik voet had gezet in de tuin, naar haar moest kijken, terwijl ze met Alberto tenniste. Ook in de droom verloor ik haar geen seconde uit het oog. Ik zei steeds bij mezelf dat ze er schitterend uitzag, zo bezweet en rood, met die rimpel van inspanning en bijna felle vastberadenheid die verticaal over het midden van haar voorhoofd liep, er helemaal op gespitst om haar glimlachende, wat druilerige verveelde oudere broer te verslaan. Maar nu voelde ik me beklemd door een ongemak, een bitterheid, een leed die haast onverdraaglijk waren. Wat was er van het meisje van bijna tien jaar terug – vroeg ik me wanhopig af – overgebleven in deze tweeëntwintigjarige Micòl in shorts en katoenen truitje, in deze Micòl met haar vrije, sportieve, moderne (vooral vrije) manier van doen, waardoor je dacht dat ze de laatste jaren alleen maar afwisselend had doorgebracht op de hotspots van het internationale tennis, Londen, Parijs, de Côte d’Azur, Forest Hills? Ja, ik trok een vergelijking: met het meisje met die blonde, lichte haren, doorstreept met bijna wit, de blauwe, bijna Scandinavische irissen, de honingkleurige huid, en op haar borst, nu en dan uit het decolleté van haar truitje slingerend, het gouden hangertje met de Sjaddai. Maar verder?
We zaten vervolgens in dat rijtuig in dat grijze, verschaalde halfduister: met Perotti voorop, roerloos, zwijgend, dreigend op de bok. Als Perotti daar zat – redeneerde ik –, met zijn rug hardnekkig naar ons toe, dan was dat om niet te hoeven zien wat er in het rijtuig gebeurde of kon gebeuren, uit onderdanige bescheidenheid kortom. En toch was hij evengoed van álles op de hoogte, de ouwe hufter, en of hij dat was! Zijn vrouw, de fletse Vittorina, die door de halfgesloten luiken van de schuurdeur spiedde (af en toe zag ik de kleine reptielenkop van de vrouw, die glom van het steile ravenzwarte haar, voorzichtig uit de luiken steken), zijn vrouw stond daar op wacht om haar donkere ontevreden, tobberige blik op hem te richten, om heimelijk geijkte gebaren en grimassen naar hem te maken.
En we waren zelfs op haar slaapkamer, Micòl en ik, ook nu weer niet alleen, maar ‘opgelaten’ (dat fluisterde zij) door de onvermijdelijke vreemde die erbij was, ditmaal Jor, die midden in het vertrek lag opgerold als een enorm granieten afgodsbeeld; Jor, die ons aanblikte met zijn twee ijzige ogen, het ene zwart, het andere blauw. De kamer was lang en smal, net als de schuur vol etenswaren, grapefruits, sinaasappels, mandarijnen en vooral làttimi, als boeken in rijen uitgestald op grote zwarte, strenge schappen die boven elkaar tot aan het plafond reikten: want de làttimi waren helemaal niet de glazen voorwerpen waarvan Micòl had verteld, maar, zoals ik al had gedacht, kleine wittige druppelkaasjes in de vorm van een fles. Lachend drong Micòl eropaan dat ik een van die kazen zou proeven. En daar ging ze al op haar tenen staan, wilde met de uitgestoken wijsvinger van haar rechterhand een van de hoogste pakken (die bovenin waren de beste – legde ze uit –, het verst), maar ik, nee, ik ging er absoluut niet op in, behalve door de aanwezigheid van de hond, bedrukt als ik was door de wetenschap dat, terwijl we zo redekavelden, buiten het tij van de lagune snel aan het opkomen was. Nog even en het hoge water zou me tegenhouden, ik zou niet ongezien haar kamer uit kunnen. Ik was stiekem ’s nachts Micòls slaapkamer binnengegaan: stiekem voor Alberto, voor professor Ermanno, signora Olga, oma Regina, de ooms Giulio en Federico, de argeloze signora Blumenfeld. En Jor, de enige die het wist, de enige getuige van wat er óók tussen ons bestond, die kon het niet doorvertellen.
Ik droomde ook dat we met elkaar spraken, en op het laatst zonder huichelen, met de kaarten op tafel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s