Voor de verre prinses, een jaar later

Een jaar geleden verscheen Voor de verre prinses, een bundel liefdesbrieven bij gedichten. Ik heb een paar keer geprobeerd om een ‘vervolg’ te schrijven. Blijkbaar had ik er een jaar voor nodig. Dit is of de eerste brief van een vervolg, of de slotbrief. Of misschien is de tekst wel iets anders.

totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

© Gerrit Kouwenaar

Allerwitste,

Mijn slaapkamer aan de Merwedekade is bijna helemaal wit. Witte muren, een witte vloer, witte kasten, – zelfs de kachel is wit. Alleen de gordijnen, van een rare en intens-diep-paars, geven het geheel die schijn die aan de jaren zeventig doet denken. De bruine deken die ik als kind al had en die nu tot sprei dient, is in die mengeling van kleuren en niet-kleur het slotaccent.

In die kamer hebben we liefgehad. Maar dat is het eind van dit verhaal, want die kamer was drie jaar het toneel van zo veel andere gebeurtenissen. Ik was er in de rouw om Renate en om twee meisjes, op een kilometer afstand. Ik had Leonie lief. Ik rouwde om Leonie.

Zittend op mijn bed, de laptop voor me, schreef ik aan een roman en een novelle en aan alle brieven die ik je stuurde, brieven tegen een witte achtergrond met een paarse gloed. Of ik keek series, eindeloos, aflevering na aflevering, mijn hoofd propvol verhalen, de bruine deken opgevouwen en onder mijn hoofd geschikt, zodat mijn nek niet ging branden na een uur.

Het verhaal vervangt de leegte niet, noch geeft het er zin aan. Een verhaal kan niet troosten. Het leidt af en geeft, als je goed kijkt, richting aan je eigen verhaal.

Wit is de kleur van dit gedicht. Er zit geen paars in en geen bruin. Het is totaal wit of streeft in elk geval naar het totaal-witte. Wit is een rouwkleur en wit is de kleur van het licht. Wit is de kleur van de bloemen die je een geliefde stuurt, nadat je voor het eerst een nacht met haar hebt doorgebracht. Gerrit Kouwenaar roept een kamer op die hij nog een keer wit wil maken. Dit moet gebeuren door twee mensen: ‘wij’ (‘jij, ik’). Tijd levert het niet meer op, maar als ‘wij’ de kamer ‘nog eenmaal (…) wit maken’ dan gebeurt er iets, al zegt het gedicht niet wát. Kouwenaar als dichter zo concreet dat alle concrete woorden en gebeurtenissen het concrete verliezen. Ze ontstijgen en worden aards, een paradox die ik alleen begrijp. Uitleggen lukt niet.

Het is gevaarlijk om poëzie te zien als iets mysterieus’. Meestal is zij dat niet. Veel mysterieuze poëzie is vooral vaag. Daar kun je Kouwenaar dan weer niet van beschuldigen. Alles wat hij in zijn gedicht toelaat is volledig te begrijpen. Misschien bestaat het mysterie juist daarin: hoe kan al die begrijpelijkheid toch gaan zingen? Hoe kan de dichter daar een gedicht van maken? Een gedicht dat als een gladde kei voor je ligt, af, er lijkt al eeuwen aan gewerkt. Het mechaniek van een horloge kan niet preciezer in elkaar zitten.

De volmaaktheid van Kouwenaars poëzie maakt machteloos. Kijk, daar staan gedichten. Zie, hier zit ik. Lezer. Zelfs de ontroering is streng geregisseerd, bijna als in een Hollywoodfilm. De dichter bepaalt wanneer de lezer gevoelens bij zichzelf mag toestaan. Het is poëzie die niet is geschreven om van te houden, en toen ‘iedereen’ van het werk ging houden, de laatste decennia van Kouwenaars leven, was dit vooral een kwestie van goede smaak. Niet van Kouwenaars werk dat, hoewel het minder in zichzelf besloten leek, net zo afstandelijk was als altijd. Alleen Kouwenaar zelf was meer door het leven aangeraakt. Op den duurt raakt dat ook het werk. Misschien een beetje met tegenzin.

De strofes die Kouwenaar schreef, horen wel en niet bij elkaar. Je kunt ze los van elkaar lezen en begrijpen, en in hun verband; het zijn fragmenten van een groter geheel (het verzameld werk van Kouwenaar), die zelf steeds opnieuw in fragmenten uit elkaar vallen. Een eindeloos breken van glas, een sneeuwbui. Daarom loopt de ‘betekenis’ van deze gedichten vooruit op het begrip van de lezer. Die weet letterlijk minder dan de dichter, hoe vaak hij de gedichten ook leest. De gedichten van Kouwenaar zijn dingen, stenen, kunstwerken waar je niet aan mag komen en die in hun binnenste iets verbergen, zelfs als het geheel breekt.

Dit gedicht is zo mooi en onbegrijpelijk mooi omdat de dichter persoonlijke belevenissen (de dood van zijn echtgenote, met wie hij heel lang samen was) in een ding onderbrengt. De vorm en de stijl vloeken met de inhoud. Het lukt de dichter niet om onpersoonlijk te blijven, zijn autobiografische materiaal is hem tijdelijk te veel geworden. Alles waar hij een heel leven naar toe heeft geschreven, kan nog maar net binnen de grenzen van het oeuvre worden gehouden. Het is een vorm van balanceren met marmeren platen van een ton per stuk. Je kunt je niet voorstellen dat het iemand lukt en toch komt Kouwenaar er mee weg. Ik voel elke keer opluchting, als het beletselteken is bereikt.

In veel van zijn gedichten geeft Kouwenaar een inkijkje in wat dat nu is, het mysterie. Ik herinner me zijn programmatische regel ‘zo helder is het werkelijk zelden’. Bij Kouwenaar lijkt alles altijd helder. In dit gedicht speelt hij ook met het mysterie: ‘en dat wij dan bijna het volmaakte napraten / alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar’. Dat snap ik plotseling volledig. Ik zie ons nog liggen, in mijn bijna-witte kamer, verwikkeld in een gesprek dat een universum omvatte omdat het nergens over ging. Maar nergens is een woord dat in dit geval niets betekent, en alles wat ik er verder over zeg doet iets af aan wat, toen, volmaakt was. Bovendien ging ons gesprek over alles.

Graag was ik de man geweest die met jou tot in de eeuwigheid in die witte kamer aan de Merwedekade had gelegen. Of in een andere witte kamer, in een andere stad desnoods, – en ik had me dan met bittere ernst gewijd aan dat werk van mij, die verhalen, die flitsen, elke dag nieuwe tekst. Helaas ben ik niet de meest praktische persoon ter wereld en ik zag niet in dat dit verlangen een verlangen was, en dat een verlangen niet altijd vervuld wordt, zelfs niet als twee mensen het graag willen. Ik had niet door dat er nog andere dingen dienen te gebeuren in het leven en dat een leven kan cirkelen om dingen die niet bij ons horen. Dingen waar ik eigenlijk geen zin in heb.

Wat de dichtregels van Kouwenaar kunnen, konden wij (‘jij, ik’) niet. In de opsomming ‘lagen, liggen, liggen blijven’ zijn wij na het eerste werkwoord afgehaakt. Dat is geen klacht; we hebben er, hoe dan ook, gelegen. Dat alles is ontploft in misverstanden en in mijn onwil om gewoon te doen, mijn onwil om me te plooien naar een bestaan waarin mijn functie opnieuw die van facilitator zou zijn, hoewel, zo eenvoudig ligt het niet. Ik merkt dat ik aan een opsomming van verwijten begin en ik verwijt je, nu, niks. Dat alles is ontploft in misverstanden ligt aan jou, ligt aan mij, ‘zoals wij er lagen’, en als jij liever hebt dat het meer aan mij ligt dan aan jou, dan is dat zo.

Waar ik nu woon heeft het donderdagochtend vroeg gesneeuwd. Ik sliep helaas toen het warrelen begon. Om kwart over zeven schoof ik het gordijn in mijn slaapkamer opzij en zag ik het schouwspel dat me nog steeds met een even grote vreugde vervult als toen ik heel erg jong was. Er ligt sneeuw! Het is als in de regels van Arjen Duinker, maar dan met sneeuw in plaats van ‘klimop’ en met ‘wit’ in plaats van ‘groen’, en ik weet dat sneeuw niet tegen een muur groeit; verder is het precies hetzelfde:

KLIMOP!
ER GROEIT KLIMOP TEGEN DE MUUR!
OOOH! ZO GROEN!

De wereld is wit geworden en overzichtelijk. Alleen de paden in het park achter de flat waren al begaan: zwarte lijnen als begrenzing van het onaanraakbare. Het was zo overweldigend dat zelfs de kinderen, onderweg naar de tegenover de flat gelegen school, niet op het idee kwamen om een sneeuwballengevecht te houden of een sneeuwpop te maken. Ik hield de adem in. Daarna opende ik het raam en ademde de vrieslucht in.

Het was mooi en ik zag dat het mooi was. Het was volledig. Natuurlijk zou het die middag na een paar uur winterzon zijn veranderd in bagger en modder, maar deze volmaaktheid nam niemand me meer af. ‘Jij, ik’. Ik dacht aan je, en aan Renate, aan de meisjes die nu veel verder weg wonen, aan alles en iedereen die op dat moment in Nederland of België verbleef. Het was goed. Alles was goed. Het kan helpen, straks, als herinnering, om door het moment heen te komen waarop we worden toegevoegd aan het witte licht.

2 gedachten over “Voor de verre prinses, een jaar later

  1. De dichter bepaalt wanneer de lezer gevoelens bij zichzelf mag toestaan.

    Op de een of andere manier vond ik dit een stuitende uitspraak. Alsof de lezer een willoos object is, totaal doorgrond en doorschouwd door de dichter.

    Als er gevoelens spelen, is dat net zo ’n wonder als het gedicht zelf is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s