Menno Wigman (1966-2018)

Menno Wigman ontmoette ik voor het eerst tijdens de Beurs voor Kleine Uitgevers in 1987. Ik kan me nu bijna niet meer voorstellen dat het ooit 1987 is geweest en toch weet ik uit dat jaar (en uit de periode 1983-1995) soms nog meer dan uit de periode die in 1995 begon en zich nu langzaam naar een einde sleept. Samen met Rob van Erkelens stond ik op die beurs het blad Tristan te verkopen, een literair tijdsschrift (geen spelfout). Menno had een stand voor zijn blad Nachtschade – iedereen was bezig met het maken van blaadjes, het typen van stukken voor blaadjes, het rondbrengen van blaadjes, het verkopen van blaadjes, het ten grave dragen van blaadjes, om vervolgens nieuwe blaadjes op te richten – het was een dynamische én landerige tijd, New Wave was de muziek en als er al werd gedanst, keek iedereen naar beneden tijdens het dansen (‘kwartjes zoeken’).

We waren allemaal schrijver, of dichter, of wat dan ook, maar Menno was de dichterachtigste dichter van iedereen. Er was maar één iemand die grapjes durfde te maken over Menno. Dat was Rob, die hem soms Menno Wigwam noemde. Een grapje waar door Menno voorzichtig om gelachen werd. Rob was ook niet de eerste de beste. Menno was in 1987 al jaren dichter en dat het tot 1997 duurde voordat hij debuteerde, met ’s Zomers stinken alle steden, hoorde daar op de een of andere manier bij. Hij haalde zijn gedichten eerst een keer of honderd door de tekstverwerker, voordat hij ze uiteindelijk publiceerde. Eerst moest elk woord ritmisch op de juiste plek staan. Menno was niet voor niets ook drummer.

Het is bekend dat de leeftijd tussen 50 en 60 de gevaarlijkste is. In dat decennium is de eerste shake out. Wie die tien jaar overleeft, heeft een kans om echt oud te worden. Menno niet meer. Zijn oeuvre is nu, met ‘een stuk of wat’ dichtbundels en een paar prozaboeken, voltooid. Ik ben benieuwd of hij de ‘nieuwe’ J.C. Bloem wordt, of de J.P. Rawie van het dodenrijk, – ik bedoel, ik ben benieuwd naar hoe zijn werk de komende jaren een definitieve plek gaat krijgen. Zelf ben ik altijd vooral een liefhebber geweest van zijn eerste bundels, waarin hij wat feller naar voren kwam dan in het latere werk. Ik citeer hieronder ‘Semper eadem’ (Altijd hetzelfde) uit zijn debuut. Een fel openingszin (die ook de slotzin is) gevolgd door berusting. Een berusting die nu een eeuwig karakter heeft. Het gedicht is enige tijd mijn favoriete Wigman geweest, omdat ik dacht dat je na je dertigste alle zeilen bij moet zetten om nog van iemand te kunnen houden, wat op zich zo bleek te zijn, al is dat een heel ander verhaal.

Semper eadem

Er wonen hoeren in je hoofd
wanneer je dertig wordt.

Een uur van scherp genot
weegt zwaarder dan een woord.

En toch, je ligt steeds dieper
in je ongewassen graf

te denken wie zij was
en wie hier na haar sliepen.

Waar blijft het staren en verbazen
na een nacht van nieuw genot?

Er wonen hoeren in je hoofd
wanneer je dertig wordt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s