Het begon als griep – een ode aan het ziekenfonds

Het begon zondag jongstleden als griep. Ik zat in de keuken en begon plotseling te trillen. Ik herkende het meteen en begon ook meteen uit te rekenen wanneer ik beter zou zijn, – woensdag, zo ongeveer. Op maandagochtend werd ik wakker in het zwembad, uit heel ingewikkelde dromen waarin ik meespeelde in een variant op de film eXistenZ. Opstaan kon wel, maar duurde een uur. Honger had ik niet, wel zin in koffie. Het drinken van de koffie die ik anderhalf uur later zette, zorgde voor een zweetaanval. Ik bleef maar aan mezelf denken als iemand met griep, dat was de fout. Ik zag mezelf als iemand met een wel heel erg zware griep. Zwaarder dan anders. Ik zag mezelf niet als een astmapatiënt die soms niet zo goed door een griep heen komt. In de krant stond het trouwens ook, er was een griepepidemie. Niks aan de hand. Doorgaan met het lezen van “Het begon als griep – een ode aan het ziekenfonds”

Fragment uit De vegetariër van Han Kang

Han Kang, De vegetariër, vertaald door Monique Eggermont, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam.

En het beeld zou nooit bij hem opgekomen zijn als er niet toevallig een gesprek had plaatsgevonden. Als zijn vrouw hem die zondagmiddag niet had gevraagd hun zoon in bad te filmen. Als hij niet toen zij hun zoon na het afdrogen zijn onderbroek had aangetrokken verbaasd had uitgeroepen: ‘Die mongolenvlek is nog steeds groot! Wanneer verdwijnt die in vredesnaam?’ Als zij niet gedachteloos had geantwoord: ‘Nou… ik weet niet meer precies wanneer die bij mij is verdwenen. En Yeong-hye had hem op haar twintigste nog.’ Als zij toen hij daarop verbaasd ‘Twintig?’ had geroepen, niet gereageerd had met ‘Mmm… een kleintje maar, duimgroot, blauw. En als ze hem toen nog had, wie weet heeft ze hem nu nog wel.’ Precies op dat moment werd hij getroffen door het beeld van een blauwe bloem op vrouwenbillen, met blaadjes die zich openvouwden. In zijn gedachten werd het feit dat zijn schoonzus nog een mongolenvlek op haar billen had op onverklaarbare wijze gekoppeld aan het beeld van mannen en vrouwen die seks hadden, hun naakte lichamen volledig beschilderd met bloemen. Het causale verband van die twee dingen was zo helder, zo onmiskenbaar en ook zo onbegrijpelijk dat het daarna in zijn herinnering gegrift bleef.

 Ook al ontbrak het gezicht, de vrouw die hij had getekend was zonder twijfel zijn schoonzus. Nee, zij móést het zijn. Toen hij begon te tekenen had hij zich voorgesteld hoe haar naakte lichaam eruit zou zien, ten slotte zette hij een stipje als een blauw bloemblaadje midden op haar billen en hij had een erectie gekregen. Het was sinds zijn huwelijk vrijwel de eerste keer, en beslist de eerste keer sinds hij de vijfendertig was gepasseerd, dat hij zo’n intens seksueel verlangen had gevoeld, een verlangen dat bovendien een duidelijk object gold. En wie was dan die man zonder gezicht die zijn armen om haar nek geslagen had en eruitzag alsof hij haar probeerde te wurgen, die zich in haar stootte? Hij wist dat hij dat zelf was; dat het zelfs niemand anders kon zijn. Toen hij tot die conclusie kwam, trok hij een grimas.