Fragment uit Gods ingewanden van Amélie Nothomb

Uit: Amélie Nothomb, Gods ingewanden, in: De Japanse Romans, De Bezige Bij, 2011 (eerste Nederlandse editie 2001), vertaling door Marijke Arijs.

Drie jaar zijn was beslist geen onverdeeld genoegen. De Japanners hadden groot gelijk als ze stelden dat kinderen vanaf die leeftijd geen goden meer waren. Nu al was er iets verloren gegaan, dat waardevoller was dan wat dan ook en nooit meer terug zou komen: het geloof dat de wereld me eeuwig goedgezind zou blijven.

Ik had mijn ouders horen zeggen dat ik binnenkort naar de Japanse kleuterschool zou gaan: dat voorspelde niet veel goeds. Wat? De tuin verlaten? Opgaan in een menigte kinderen? Het idee!

Er was nog iets veel ergers. In de tuin hing een onrustige sfeer. De natuur had een zeker verzadigingsniveau bereikt. De bomen waren te groen en te bladerrijk, het gras groeide te weelderig, de bloemen bloeiden alsof ze zich te barsten hadden gegeten. Sinds half augustus zagen de planten er zo voldaan uit als de dag na een schranspartij. De levenskracht die tevoren duidelijk in alles aanwezig was geweest, ging langzaam over in vadsigheid.

Zonder dat ik het wist werd mij in die aanblik een van de vreselijkste wetten van het universum geopenbaard: stilstand is achteruitgang. Na de groei treedt het verval in: tussen die twee is er niets. Het hoogtij bestaat niet. Het is een illusie. Neem nu de zomer. Je hebt een lange lente, met een spectaculaire werking van levenssappen en driften: die opleving is nog niet voorbij of de neergang is al begonnen.

Vanaf half augustus krijgt de dood de overhand. Niet dat de bladeren al beginnen te verkleuren. De bomen zijn nog zo bebladerd dat je je niet kunt voorstellen dat ze binnenkort kaal zullen zijn. De planten tieren weliger dan ooit, de bloemperkjes bloeien, alles wijst op een bloeitijd. En toch is het dat niet, gewoon omdat het niet kan, omdat stabiliteit niet bestaat.

Als driejarige wist ik dat allemaal nog niet. Ik stond mijlenver af van de stervende koning die roept: ‘Wat ten einde loopt, is al geëindigd.’ Ik kon mijn gevoel van beklemming onmogelijk verwoorden, maar ik voelde wel dat de doodsstrijd was ingetreden. De natuur legde het er te dik op: dat was niet pluis.

Als ik het tegen de anderen had verteld, dan hadden ze me uitgelegd hoe de kringloop der jaargetijden in elkaar zat. Als je drie bent, weet je niets meer van het jaar ervoor, ben je nog niet tot de constatering gekomen dat alles altijd terugkomt en is de komst van een nieuw seizoen een onomkeerbare ramp.

Als je twee bent, zie je de seizoenwisselingen niet en kunnen ze je gestolen worden. Op je vierde zie je ze wel, maar vind je ze gewoon en kun je ze relativeren, omdat je nog herinneringen hebt aan het jaar daarvoor. Op je derde ben je doodongerust: je ziet alles, maar begrijpt er geen snars van. Je kunt geen beroep doen op enige mentale jurisprudentie om je gerust te stellen. Als je drie bent, komt het ook niet bij je op om de anderen om uitleg te vragen: je bent er niet noodzakelijk van overtuigd dat volwassenen meer ervaring hebben – en misschien heb je geen ongelijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s